De geknipte keuze

Guy Brugmans


DE GEKNIPTE KEUZE

In 2014 bracht ik in een beperkte oplage 

Söz-De belofte uit, het levensverhaal van Hayrettin Dumlugöl en Remziye Baybek.

In de romanversie De keuze hield ik hun geschiedenis aan maar paste de verhaallijnen aan en voegde fictieve elementen toe. Bij deze omzetting moest ik interessante zijverhalen, passages en anekdotes schrappen, die als losse columns hun geschiedenis aanvullen en zodoende alsnog tot hun recht komen. Die breng ik hier samen in De Geknipte Keuze.



16 Remziye - Misverstand

16 Misverstand


Op een koude winterse dag stonden we met zijn allen tijdens de middag-pauze rond de kachel in de klas onze handen en knieën te warmen. De jongen naast me draaide zich opeens naar me en mompelde iets wat ik verstond als ‘Tietjes als rozen’.

     ‘Hè?’ Ik snapte niet wat hij bedoelde, maar het meisje dat naast me stond, legde het op fluistertoon uit. Ik was zo onthutst en verontwaardigd dat ik me naar de eerste lessenaar draaide en de inktpot pakte. De jongen zag het gevaar komen en zette het op een lopen. Ik ging hem achterna, gooide, miste maar trof de grote spiegel tegen de muur, die in wel honderd stukken sprong.

     Juf Sacide nam me apart. ‘Safiye, dit kan niet, dat begrijp je ook wel. Ik wil dit met je mama bespreken. Zeg jij haar dat ze morgen even naar school komt. Goed?’

     ‘Ja, juffrouw.’


     Ik zei niks.


     ‘Safiye, ik heb je mama vandaag niet gezien. Heb je het haar gezegd?’

     ‘Ja, juffrouw, maar ze heeft geen tijd, zegt ze.’


     De directeur stuurde Receb Kalfa, de huismeester, om mama op de hoogte te brengen van wat ik mispeuterd had. Receb Kalfa kwam en ging, en mama wist me in de slaapkamer te vinden. ‘Wat is dat nu? Waarom heb je die spiegel gebroken? Waarom heb je met die inktpot gegooid?’

     Ik zweeg, want ik durfde het lelijke woord niet in de mond te nemen.

     De directeur wilde het er niet bij laten: ‘Iemand is verantwoordelijk, iemand moet de brokken betalen.’
 Hij nodigde alle partijen uit voor overleg, mama met mij en de papa met de jongen.

     Zwijgend stonden we op een rij bij zijn bureau.
 

     ‘Goed, jongen, vertel jij eens wat er is gebeurd.’


     ‘Jij dan, meisje, leg het ons eens uit.’


     De jongen hield zijn mond en ik durfde niets te zeggen.


     ‘Tja, het spijt me, maar dan zult u de spiegel moeten betalen, mevrouw.’

     ‘Maar mijnheer,' zei mama, 'ik vind het erg wat er is gebeurd en mijn dochter had zoiets nooit mogen doen, maar dat geld heb ik niet, ik ben een arme weduwe met drie kleine kinderen.’

     Het bleef in de klas hangen. Juffrouw Sacide kon het blijkbaar niet loslaten. Ze had met ons te doen. De volgende dag riep ze me mee. ‘Safiye, waarom zeg je niets?’ vroeg ze. ‘Wat scheelt er? Wat is er toch maar gebeurd?’

     Ik neem aan dat het door haar rustige aanpak en begripvolle toon kwam dat ik zwichtte en het relaas van het voorval deed. Juf Sacide legde haar hand geruststellend op mijn schouder en bracht meteen verslag uit bij de directeur, die de papa van de jongen opnieuw uitnodigde.

     De jongen gaf toe.

     ‘Oei, mijnheer, dat verandert de zaak natuurlijk,’ zei zijn vader. ‘ik vind het ongehoord van mijn zoon, ik zal u de spiegel vergoeden.’

     Er zouden jaren overheen gaan voor het me duidelijk werd dat ‘tietjes als rozen’ met een kromme tong klinkt als ‘je zou niet mogen lachen’. Het had er opeens alles van dat ik de jongen oneer had aangedaan - en dat de jongen mij indertijd niet had willen verklikken.



15 De kelder

 

Op een dag bracht een klasgenootje van goeden huize een nieuwe, mooie bal mee. Tijdens de pauze liepen we er op de speelplaats mee te ballen. Wie de bal had, gooide hem hoog in de lucht en dan sprongen we met zijn allen om hem te pakken. Ik was al niet groot, niet breed en niet sterk, ik kwam er met mijn armpjes niet bovenuit en werd er behoorlijk chagrijnig van. Op een gegeven ogenblik rukte ik de bal uit de handen van een meisje, maar werd prompt uit het spel gezet. Terwijl ik tegen de muur stond te mokken, zon ik op wraak en schoot me iets te binnen. Ik holde naar de klas en stopte mijn pennendoos in de zak van mijn schort.

     Geduldig wachtte ik af, en toen de bal hoog in de lucht ging, zag ik mijn kans schoon, sprong en duwde wat ik kon, graaide naar de bal en rende ermee naar de toiletten. Achter de deur haalde ik het scheermes boven waarmee ik het potlood aanscherpte, kerfde de bal in stukken en gooide ze in het gat.

     Het meisje huilde, haar vriendinnetjes deden hun beklag en meester Sıtkı greep in. Voor mijn straf moest ik naar de kelder, het berghok in. ‘Ga daar maar een tijdje zitten om je zonden te overdenken,’ zei hij streng. ‘En als je daarmee klaar bent, maar pas als je daarmee klaar bent, kun je terugkomen! Vooruit, en vlug een beetje.’

     Het berghok was heel rommelig en duister, maar het ergste was dat er ook het geraamte voor de biologieles stond. Ik bracht er een heel lange akelige middag door.

     In mijn lagereschooltijd moest ik geregeld de kelder in, en telkens stond ik duizend angsten uit met dat skelet. Ten slotte sprak ik Receb Kalfa aan, een oudere man die er als schoolbewaarder en klusjesman werkte. Of hij het geraamte een beetje verder in de hoek van het hok wilde zetten. Dan zou ik hem een trosje druiven of een zakje rozijnen meebrengen.

     Receb Kalfa was een goed man, en hij was tuk op rozijnen.



14 Buikgevoel


Hoewel ik lang mager en bleek bleef, was ik een druk en vrolijk kind. Ik speelde met andere kinderen, vriendjes en vriendinnetjes uit de buurt en van de school, altijd buiten, ook in de winter, als het koud was aan de voet van de berg.

     Een buurjongen had een kleine rubberbal die de gekste sprongen maakte en alle kanten op stuiterde en op een gegeven ogenblik nergens meer te vinden was. De tranen bengelden aan zijn kin. ‘Het is jouw schuld!’ riep hij naar me.


     ‘Ik? Hoe ik?’


     ’Ja, jij hebt hem het laatst in je handen gehad.’


     Volgens mij klopte het niet, maar ik wist dat zus Habibe haar zakgeld onder een doek op de vensterbank bewaarde en haalde er 25 kuruş weg, die ik aan de jongen gaf.
 ‘Hier,’ zei ik, ‘en zwijg nu.’

     Niemand hoefde het te weten, maar de mama van het jongetje vroeg zich allicht af waar het balletje naartoe was en hoe haar zoontje aan het geld kwam, en dan was het gauw bij mama.

     ‘Safiye,‘ vroeg ze, ‘heb jij die jongen geld gegeven?’


     ‘Ik? Hoezo?’


     Ik probeerde onschuldiger te kijken dan ik was. Ik was ook nog iets te jong om te weten dat zus Habibe al heel goed op de kleintjes lette. ‘Ja, mama, ik mis 25 kuruş!’
 zei ze.

     ‘Safiye, kom eens hier. Heb jij geld van zus weggenomen?‘ Ze keek me heel diep aan, tot helemaal onderaan in mijn hartje.

     ‘Ik weet het niet, ik denk het niet.’

     'Laat me eens luisteren of je niet liegt.’ Mama legde haar oor tegen mijn buik, keek naar me op en schudde het hoofd. ‘Je liegt, kind, ik hoor het.’

     Ik snapte er niets van. Hoe kon ze dat nu weten? Ik was helemaal de kluts kwijt.

     In en rond de stad groeiden er veel pijnbomen, parasoldennen, met een korte stam, een wijde kroon, een bast met groeven en schubben en puntige naalden. Als we de bolle kegels in een vuurtje gooiden, sprongen ze open en konden we de zaadjes er zo uithalen. Ik vond de pitjes lekker, zowel rauw als geroosterd, maar helemaal verzot was ik op iğde, de zilverbes, de zoete vrucht van de olijfwilg die tot pulver wordt vermalen. Telkens als ik er stiekem van had gesnoept, wist mama me te vinden. ‘Kom jij eens hier. Heb je weer iğde gesnoept?’


     ‘Ik? Nee hoor, ik niet.’


     ‘Zeg je de waarheid? Laat me eens aan je buik luisteren.’


     Mama hield haar oor tegen mijn buikje en wist het - altijd.

     Ik vertelde aan al mijn vriendjes en vriendinnetjes dat mijn mama aan mijn buik hoorde of ik had gelogen en wat ik had gegeten. Ik vertelde niet, want mama had het mij toen ook nog niet verteld, dat mijn gretige handjes wat wit poeder aan de rand van de zak van mijn rok of jasje achterlieten.



13 Binnas Nine

 

Vlakbij in de buurt woonde een oud vrouwtje, Binnas Nine. Ze was weduwe en leefde alleen, ze had haar echtgenoot en andere nauwe verwanten overleefd en haar familie had haar vergeten.

     Binnas Nine moest al voorbij de honderd zijn, in ieder geval zo oud dat ze met een voet al in haar volgende leven stond - ze had nog maar vier tanden. Gelaten wachtte ze tot de Enige in de Hoge haar naar Zijn eeuwig hemelrijk zou roepen, tot ze zich hardop begon af te vragen of Hij haar niet uit het oog was verloren. Ook dat had Hij blijkbaar gehoord. Binnas Nine werd ziek en lag aan het bed gekluisterd.

     Ze was helemaal alleen, zonder familie of kinderen. De hele dag waakte mama of een buurvrouw bij haar sterfbed. Om de beurten wasten ze haar een beetje, verschoonden het bed en haar kleren. Ze brandden een lampje en lazen uit het Heilige Boek, brachten voedsel en drank naar haar mond. Mama wees ons op het gebruik, het reddende gebaar, om de zieltogende in de laatste dagen nu en dan iets te laten drinken. ‘Voor de eeuwige slaap intreedt, krijgt de zieke een grote dorst. De duivel verschijnt dan aan het voeteneinde van het bed en probeert de stervende in ruil voor wat water van zijn geloof af te brengen.’

     Uiteindelijk slikte Binnas Nine niet meer. Het liep onherroepelijk op zijn eind, het was een kwestie van een paar dagen of slechts enkele uren, niemand wist wanneer het Hem zou schikken. ’s Avonds en gaandeweg ook ’s nachts liepen mama en ik nu en dan aan om te zien hoe ze het stelde, of ze nog in leven was. Mijn zussen waren bang en mama stuurde mij met de petroleumlamp.

     ‘Nee, ze leeft nog,’ zei ik toen ik terugkwam.

     Wat later ging ik nog eens kijken, drenkte een watje in water en depte haar lippen. Het vrouwtje snakte eens en bleef stil. Ik duwde haar oogleden dicht, nam de witte sjaal van haar hoofd, vouwde hem tot een smalle band en bond hem strak om haar hoofd en kin om haar mond dicht te houden, en ging terug.

     ‘Mama, ze is dood, Binnas Nine is dood.’

     Mama schrok op, haastte zich naar de buurvrouw, vond haar zoals ze daar lag.

     Toen ze weer thuiskwam, riep ze me. ‘Wie heeft de doek om haar hoofd gebonden?’

     ‘Ik.’


     ‘Hoe? Jij?’


     ‘Ja, ik. Waarom? Zo moeilijk is dat toch niet?’

     Ik had mama en de vrouwen erover horen vertellen.  Ik gaf mijn ogen de kost en knoopte alles goed in mijn oren.



12 Duivels

 

Een enkele keer maakte de vrouw des huizes koffie, en dan keken ze koffiedik, waar ze van zeiden dat ze er niet echt maar toch een beetje in geloofden, de ene wat meer dan de andere, al gaven ze dat niet zo gauw toe, volgens de oude waarheid die tegelijk twee kanten uit kan: ‘Geloof niet in de voorspelling van de toekomst, maar blijf er ook niet zonder.’

     Ze vertelden oude en nieuwe verhalen, maakten elkaar bang met duivels en geesten, wisselden formules en rituelen uit om de demonen te bezweren, en hielden ze zo in leven. 

     Al van toen ik nog klein was, liep ik voortdurend in en uit, hing achteloos rond of ik iets zocht en verdween weer, maar nam telkens wat mee van wat ik hoorde, en bewaarde het in een kistje in mijn hoofd. Dat ik niet naar de maan en de sterren mocht spugen. Dat ik bij volle maan, in de veertiende nacht van de maanmaand, niet mocht naaien of breien. Dat ik op vrijdag geen stof uit huis mocht gooien. Dat ik bij het eten van brood geen kruimels op de grond mocht laten vallen. Er was heel veel wat niet mocht om het kwaad niet aan te trekken, en het leek wel of er elke maand nog wat bijkwam.

     Als de vrouwen door het donker naar huis liepen en de angst hen om het hart sloeg, prevelden ze vlug de spreuk die de kwade geest afschrikt: ‘Uit de weg heren, blinden als wij zouden op jullie kunnen trappen!’

     Op een mooie namiddag zat ik in de tuin te spelen en zei de bezwering die ik had opgevangen zomaar voor me op, zonder dat ik er erg in had.

     Papa, die al even in de tuin bezig was, had het gehoord. ‘Wat zei je daar, meisje?’


     Ik herhaalde het versje nog eens.


     ‘Van wie heb je dat? Wie heeft je dat geleerd?’


     ‘Van Sultan Hanım.’


     Met een zucht draaide hij zich om en liep met een kwaaie kop naar binnen, recht naar mama: ‘Heb ik je niet gezegd dat je de kinderen van deze onzin weg moet houden? Bij Allah, al die kletspraat, al dat bijgeloof!’

     Hij geloofde niet in spoken en dwaasheden en kon er zich vreselijk over opwinden. Als mama of een buurvrouw het over de duivel had, sloeg hij het bars af. ‘Mijn vader had gelijk,’ gromde hij dan, ‘de mens is zelf de grootste duivel.’



11 Vrouwen


Papa werkte overdag, ’s avonds kwamen er niet vaak mannen in huis. In de lauwe weken voor en na de zomer zat hij soms met de stationschef of een buurman in de tuin. De mannen zwegen lang en vertelden moeilijke verhalen. Ze keken meestal somber, dachten lang na en spraken met geraspte stemmen die alleen zachter werden als ze zuchtten.

     De buurvrouwen kwamen bijna elke dag samen, in de voormiddag al, een of anderhalf uur, beurtelings in een ander huis. Soms zochten ze elkaar ook ’s avonds op, na het eten. Op de korte dagen droegen ze de lantaarn of de petroleumlamp mee. De kinderen mochten ook mee.

     Ik hield van de gezellige drukte als de vrouwen bij elkaar zaten. Het was zoveel spannender, omdat ze nooit zwegen, maar fluisterden en giechelden en uitvielen en huilden als ze het over hun belevenissen, teleurstellingen en verzuchtingen hadden. Ze klaagden veel, omdat het destijds en ginds beter was, omdat ze armer waren dan andere vrouwen, en schoven dichter bij elkaar voor onderwerpen waarover ze nooit uitgepraat raakten: vroeger en later, geluk en tegenslag, verwanten en kinderen, buren en dorpelingen.

     ‘Ach vrouw,’ zei mama soms, ‘je hart is je kostbaarste kind. Maak het toch niet wakker als het slaapt.’


     Ook de mannen gingen geregeld over de lippen, al wisten de vrouwen in de regel wat ze konden zeggen en moesten zwijgen. Aangezien ze veelal dezelfde levens leidden, hadden ze aan een half woord genoeg om de situatie te begrijpen.

     Het was tijdens deze onderonsjes, waar jongens en mannen uit werden geweerd, dat meisjes leerden dat de roddel een eigen aard heeft, waarbij vrouwen geruchten en veronderstellingen uitwisselen die ze voor waar opvangen, aandikken en verdraaien en voor waar ook weer delen, en jonge vrouwen erachter komen wat het leven dat voor hen ligt met hen voor heeft. Waaruit de ene vrouw afleidde dat veel mannen blijkbaar hetzelfde zijn, mannelijk, krachtig, trots en jaloers, eeuwig trouw voor het huwelijk en eeuwig ontrouw erna, dat ze liegen tot de zon uit de lucht valt, zich in alle bochten wurmen om droog onder de regen weg te komen en daar ook nog in slagen – en een andere vaststelde dat ook veel vrouwen blijkbaar eender zijn, vrouwelijk, zwijgzaam, behaagziek, onderdanig en even jaloers, dat ze liegen tot de maan van de hemel valt om de meubels te redden en altijd weer besluiten dat berusting het haalt van verzet, dat de voordelen opwegen tegen de nadelen, dat het leven is wat het is: hun lot, Allahs wil.

     Voor de vrouwen opstonden, klapten ze een keer in hun handen en keken even in het rond, en dan zei een van hen: ‘Morgen is het mijn dag. Hetzelfde uur.’



10 Waterdragers

 

Mama wijdde zich ijverig en zorgzaam aan het huishouden, haar man en haar dochters. Onze huisschoenen stonden altijd netjes gepoetst naast elkaar op de trap bij de buitendeur. 

     Elke namiddag waste ze ons met lauw water in een houten tobbe die helemaal uit Bulgarije was meegekomen. In de zomer zette ze in de voormiddag twee emmers met water in de zon en kieperde die dan in de kuip. In de winter schoof ze de tobbe tot bij het vuur in de keuken. Ze sopte ons een na een in met de vierkante witte olijfzeep waarvan er in de bakkal grote dikke plakken lagen en waar de winkelier een blokje afsneed. Die zeep rook heel lekker. Als we ons bad hadden gehad, stuurde mama ons naar bed, waar we tot halfvier lagen te rusten.

     Om de twee weken nam ze ons mee naar de hamam, waar we ons grondig wasten. We namen dan ook eten en drinken mee voor achteraf, zochten een plaatsje in de schaduw van een boom, maakten er een prettige namiddag van.

     De vaat deed ze met een plak groene zeep. Het wasgoed ging in een kleinere houten kuip, niet de tobbe waarin we onszelf wasten. Ze stookte hout in de tuin om het water op te warmen en waste de kleren met soda. Het water dat van de çeşme kwam, zeefde ze eerst door de dikke assen die ze uit de kachel bewaarde.   Onze lakens en hemdjes waren altijd smetteloos wit.

     De çeşme, de waterkraan, stond iets verderop in de straat, voorbij de koffiehuisjes. Er zat een hendeltje aan dat we opzij moesten draaien en vasthouden, want het sprong vanzelf terug om de kraan af te sluiten. Ik duwde er altijd een platte steen tussen, zodat ik de handen vrij had en nog wat kon huppelen terwijl het grote blik volliep.

     Buurman Nasif Amca had een aansluiting op de waterleiding. Hij was een hele vriendelijke, behulpzame man. Sommige buren haalden hun water altijd bij hem. Mama wilde het niet, heel af en toe mocht het, als het echt dringend was. Nasif Amca wilde niet dat ze er iets voor betaalde, en dat vond ze lastig. Als ze vaker gingen, dan kon ze hem ervoor vergoeden, maar waarom zouden ze niet dat kleine eindje verder lopen, als het dan niets kostte en geen schuld maakte?

     Ik nam wel eens de binnenweg. Als ik het blik bij Nasif Amca vulde, hoefde ik de hele weg naar de straatkraan niet te lopen en het zware blik niet zo ver terug te zeulen. Mama zag ook wat ze niet zag, alsof ze ogen in haar rug had, en wie weet waar nog overal. ‘Je bent al zo vlug terug? Waar heb je water gehaald? Toch niet bij de buurman? Pas op eh!’

     Soms kwam een man die een beetje ziek in zijn hoofd was langs de huizen en bood zich aan om water te halen. Mama gaf hem altijd een blik mee en stopte hem dan 5 of 10 kuruş in de hand.

     Nog een eindje verder de stad in stroomde een riviertje onder de weg en de Kırmızı Köprü, de Rode Brug, door. Als ik flink doorstapte, deed ik er toch nog tien minuten over. Het riviertje was drie seizoenen van het jaar een kabbelende stroom die vreedzaam naar beneden kronkelde, maar in de lente zwol hij aan van het smeltwater van sneeuw en ijs dat van de hellingen en toppen van de Spilbergen kwam. Op de beide oevers groeiden grote oude platanen, die hun huid verloren en veel schaduw gaven. Er was een hoogbejaarde, vermolmde boom bij die zo hol was dat er zich makkelijk twee kinderen in konden verstoppen.

     Iets hoger, voorbij de hoge bomen, stond een waterput, met een zwengel en een leren emmertje aan een lang touw. Het was heel koud water, dat we alleen maar haalden om te drinken. Mama ging er zelf de grote testi vullen. De aarden kruik hield het water langer koel, maar ze was breekbaar en zwaar. Mama torste ze voorzichtig bij een oor, van de ene hand in de andere.

     Toen ik wat ouder was, stuurde ze mij ermee weg. Ik zag er erg tegenop. Het was ver lopen, en het was er altijd wachten. Kleine en grote mensen stonden in een lange rij aan te schuiven, ongeduldige mopperaars maanden de hele tijd aan om op te schieten. Om zo’n kruik te vullen moest ik een keer of drie putten. Als het emmertje niet goed vol was of per ongeluk tegen de rand botste en ik wilde het nog eens laten zakken, foeterden ze achter mijn rug.

     ‘Toe maar, nóg maar eens.’


     ‘Zeg, komt er nog wat van, ja?’


     ‘Neem je tijd, hoor, je bent alleen.’


     Dan moest ik de volle, zware kruik nog het hele eind terug slepen.

 


9 Mama Fatma

 

Mama was onderdaniger en godlievender dan papa. Ze had vijf vruchten uit haar buik, vijf zonen van haar bloed moeten afgeven, wat ze misschien maar had kunnen aanvaarden door het aan het lot toe te schrijven, het lot dat Hij in Zijn hand houdt, waarmee Hij haar alsnog vier dochters gaf die ze mocht houden, waarvoor ze Hem erkentelijk bleef.

     Ze leefde naar de traditie, als ze de straat opging, droeg ze een lange mantel en een başörtüsü, de hoofddoek die haar haren bedekte en gezicht vrijliet, een zwarte in herfst en winter, een beige of grijze in lente en zomer. Nefise en Habibe volgden haar hierin op een eigentijdse manier, ze knoopten een losse hoofddoek of sjaal om als ze het huis uit liepen. Reyhan leefde vrijer en zelfstandiger in de school van de grote stad, zij en ik lieten ons hoofd altijd aan de lucht.

     Mama las de Koran nog altijd in de oude taal en gaf ook Arabisch onderricht. Elke vrijdag zat ze samen met enkele buurvrouwen en las een of andere tekst, die ze dan toelichtte. Tijdens de ramadan liepen de vrouwen na de iftar, de avondmaaltijd, telkens naar een andere moskee. De meisjes mochten dan ook mee. In het godshuis zaten de vrouwen gescheiden van de mannen. Langs een aparte ingang en een trap kwamen we op de ruime galerij, waar we van achter het sierlijk uitgestoken houten hek op de ruggen van de mannen keken. In de zware kruidige geur van de mirre, de olie van de gomhars van de öt agacı, volgden we de dienst, baden, knielden, drukten ons voorhoofd tegen de mat. Na de plechtigheid wachtten we geduldig tot alle mannen weg waren.

     Enkele buurmeisjes mochten naar de vrouwelijke hodja om uit het Heilige Boek te leren, en daar zeurde ik wel eens om. ‘Neenee, daar blijf jij mooi weg,’
 zei mama dan. Mama vertrouwde op Allah en las koffiedik maar geloofde niet in de toverkunsten van de oude hodja of van de wijze vrouw die een paar huizen verder, aan de overkant van de straat, woonde.

     Als ze bij elkaar zaten, hadden de vrouwen het soms over haar en over de mensen die haar opzochten om hun lichamelijk en geestelijk leed te verlichten. In elke stad of dorp was er wel zo’n oudere vrouw die zichzelf de gave toewees dat ze kon genezen met de bijzondere, bovenmenselijke kracht die ze van haar grootmoeder en moeder had overgekregen. De inwoners noemden nooit haar naam, die ze misschien niet eens kenden, maar verwezen naar haar als ‘de vrouw met heilige handen’. Als iemand aanhoudend pijn had, in het hoofd of in de rug of in de benen, dan mompelde ze wat, legde haar handen op het hoofd of op de zere plek, sloeg de ogen naar de hemel op en prevelde verzen en bezweringen. Vaak gaf ze ook betekenis aan vreemde dromen.

     Veel mensen geloofden er niets van en veel mensen geloofden er alles van. Mama moest er niet van weten, papa zette zijn stekels al op als het woord ‘hodja’ of ‘wijze vrouw’ nog maar viel. ‘Bij Allah,’ zuchtte hij dan, ‘al die kletspraat, al dat bijgeloof. Het verstand vult nooit het hele hoofd.’

     Als mama of een buurvrouw het over de duivel had, schudde hij het hoofd. ‘Mijn vader had gelijk,’ gromde hij dan, ‘de mens is zelf de grootste duivel.’ Hij maakte zich niet kwaad, hij verhief zijn stem niet eens, maar legde er iets in waardoor ze beslist overkwam.

     Mama was feller, ze mopperde en keef meer, maar dat was niet anders bij mijn vriendinnetjes in de buurt. Als een zus of ikzelf iets wilde en papa wist te vermurwen, betrok haar gezicht en bleef de hele dag op slecht weer staan. Waar zij voor een kleinigheid opspeelde, haalde hij zijn schouders op. ‘Ach, wat is speels en wat is stout,’ vroeg hij zich dan hardop af, ‘wanneer wordt een deugniet een vlegel? Als een kind geen kattenkwaad uithaalt, is het ziek, leeft het niet.’

 

 

8 Papa Ali

 

Als jongste meisje voelde ik me veilig in het warme nest van ons gezin en op de zachte schoot van papa. We hadden een hechte band en leefden in goede verstandhouding met de buren.

     Papa had de opbrengst van de wijnranken en de pacht van de katoenvelden, maar moest huis en land voor de helft afbetalen en had vijf vrouwen te onderhouden. Hij liet het niet op zich afkomen en vond al gauw werk aan het station, waar hij instond voor het onderhoud van de sporen. Het was vast en schoon werk, en het verdiende behoorlijk, 60 lira per maand, hij was er tevreden mee. Elke week legde hij het loon dat hij thuisbracht netjes in de handen van mama, die zorgelijker en zuiniger was. Zij wilde altijd maar sparen, terwijl hij er voortdurend op drukte dat ze ons niets tekort mocht doen. We waren niet rijk maar ook niet arm, en in de blikken achter het huis stonden altijd vrolijke bloemen.

     Papa was een eenvoudig maar trots man. Hij kleedde zich naar behoren, ook als hij naar het werk ging, en schoor zich om de andere dag met zijn barbiersmes dat hij eerst met de riem aansleep. Hij kwam niet in de theehuizen, vroeg nooit naar een glaasje raki. Na het eten dronk hij een kopje koffie. ‘Ah, dat verwarmt mijn ziel,’ zuchtte hij dan. Hij stopte zijn pijp waarvan de zware zoete geur door de kamer zweefde en keek verzaligd over de tafel, als een voldaan man.

     Omdat hij lastige kwesties doordacht en praktisch aanpakte, verlieten andere mannen zich op zijn inzicht en raad. Hij trad zelfverzekerd op, maar gedroeg zich nooit hooghartig. Op vrijdag ging hij naar de moskee voor het middaggebed, maar verder had hij een nuchtere geest. ‘Mijn ogen zijn te groot voor blinde overtuigingen,’ zei hij. Hier slachtte hij nooit een schaap maar deed wel zijn menselijke plicht. Als hij bij het Offerfeest en Suikerfeest uit de moskee kwam, legde hij een gulle gift in de hand van de bedelaars en nodigde enkele soldaten of armelui mee uit. Ze kwamen schoorvoetend achter hem binnen, wasten hun handen, zaten zwijgzaam aan tafel en keken dankbaar van hem naar mama en weer terug.

     In de buurt woonden twee oude vrouwtjes, Binnas Nine en Şaraç Nine. Het waren weduwen, ze hadden hun echtgenoten en andere nauwe verwanten overleefd en de koude families waren hen vergeten. De buren waren met hen begaan en sprongen bij waar het nodig was. Papa nodigde de dametjes elke vrijdag uit. ‘Straks niet eh, vader, vanavond niet, hoor je,’ zei mama telkens, maar ’s avonds zaten de vrouwtjes toch weer aan tafel.

     In de barste weken bracht hij om de andere dag een zakje steenkool naar een ongehuwde buurvrouw die zich over haar manke vader ontfermde en die het niet breed had. Mama stoorde er zich soms aan dat hij maar gaf en nooit wat vroeg of terugkreeg. ‘Ach,’ zei hij dan, ‘wij hebben het warm, en zij hebben het koud.' Als een paar schoenen afgedragen of gekrompen was, zette hij ze buiten bij de deur en zei: ‘Laat ze daar maar staan, misschien kan iemand er wat mee.’

     Er was altijd iemand die er wat mee kon.

 


7 De Wenende Rots

 

Rond de Wenende Rots in Manisa zweefde een plaatselijke legende, waarin ze het graf was van zeven dochters die in de oorlog waren omgekomen. Verder wist blijkbaar niemand wanneer of waar ze hadden geleefd, alleen dat de jongste dochter elke avond opnieuw klaaglijk huilde om de rampspoed die hen had getroffen. Van de buurvrouwen, de meester en de juf op school ving ik kleine en grote flarden op, die buurman Haydar uiteindelijk in een samenhangend verhaal paste.

     Haydar Bey was een geletterd man die een hoog ambt in het provinciehuis bekleedde. Op een zachte avond in de voorzomer leidde papa hem naar de tuin, onder de vijgenboom. Mama bracht thee en blokjes halva op een schoteltje. Ik schommelde, snoepte wat mee en was een en al oor.

     Haydar Bey ging héél ver terug, toen het oude Griekenland nog uit stadstaten bestond die hun gebied altijd maar uitbreidden. De Grieken waren krijgslieden, hun zeelieden staken de Middellandse Zee en de Egeïsche Zee over, op zoek naar nieuw land, avonturiers en handelaars vestigden zich aan de kust en in het binnenland van Turkije.

     Volgens hun latere verhalenschrijvers had de Lydische koning Tantalos een stad gesticht in de vruchtbare vlakte van de rivier de Gediz, aan de voet van de berg Sipylos, die nu Spil Dağı heet. Tantalos was zo’n machtig heerser dat de Grieken hem een plaats gaven in een van hun verhalen als de zoon van de oppergod Zeus en de nimf Pluto.

     Tantalos had een sterfelijke dochter, Niobe, die met koning Amphion van Thebe trouwde, een zoon van de god Zeus en Antiope. Ze kreeg maar liefst veertien kinderen, zeven zonen en zeven dochters, de Niobiden. Niobe stond erop dat de inwoners van Thebe haar meer eer bewezen dan de godin Leto, die slechts twee kinderen had, de tweeling Apollo en Artemis, maar die was wel van oppergod Zeus. Niobe was een hoogmoedige vrouw die de goden uitdaagde, waarop Artemis haar dochters en Apollo haar zonen doodde met pijl en boog. Toen vader Amphion het bloedbad onder zijn kinderen zag, sloeg hij uit wanhoop de hand aan zichzelf. Niobe was zo van slag dat ze zich terugtrok op de berg Sipylos, waar ze in een steen veranderde. Ze treurde zo hartverscheurend dat de tranen uit haar versteende wezen stroomden.

     ‘En nu is het zo,’ besloot Haydar Bey, ‘dat dichtbij de Spil Dağı een stompe rots uitsteekt die op het hoofd van een vrouw lijkt en die de bevolking al eeuwen aan Niobe toeschrijft. Als het regenwater door de kalksteen sijpelt, lijkt het of ze weent.’

 

 

6 De geschiedenis

 

Op school leerde ik van jaar op jaar meer over de lange geschiedenis van Turkije, die was ingezet in de nevelen van een heel ver verleden met de legende van de grijze wolvin die de Turken met honger en dorst uit een dor en droog land naar hier had gevoerd, en van Manisa, die levendig was gebleven in de oude gebouwen en feestdagen.

     Manisa was al van oudsher een voorname en rijke stad, de hoofdstad van de provincie met dezelfde naam. De oude Grieken noemden haar Magnesia aan de Sipylos, de berg waar ze tegenaan ligt. Ook bij de Romeinen en Byzantijnen en Seltsjoeken bleef de stad van groot belang. Ten tijde van het Osmaanse rijk maakten de machtige sultans er de prinsenstad van. Ze hadden er een mooi en groot buitenverblijf waar de kroonprinsen met hun moeders verbleven en waar de jongetjes werden voorbereid en opgeleid om sultan te worden. Omdat er verscheidene prinsen voor in aanmerking kwamen, was er veel afgunst tussen de moeders en hun zonen. Ze treiterden en verlinkten elkaar, spanden heimelijk samen en zaaiden verdeeldheid, gingen soms zo ver dat ze de favoriete prins ontvoerden of zelfs vermoordden.

     De sultans kwamen zelf ook geregeld op bezoek, om uit te rusten en om in de velden en bossen te jagen. Murat II was zo’n sultan die zich hier voor langere tijd terugtrok. Mehmet, een van zijn zoontjes, was pas twaalf toen hij hem opvolgde. Hij werd later Fatih Sultan Mehmet II, of Mehmet de Veroveraar, die in 1453 Constantinopel innam en de christelijke keizer Constantijn XI over de kling joeg. Constantinopel werd Istanbul, het Byzantijnse rijk werd het Osmaanse rijk.

De stad werd op 26 mei 1919 door het Griekse leger bezet en pas op 8 september 1922 tijdens de Onafhankelijkheidsoorlog weer door het Turkse leger onder de leiding van generaal Mustafa Kemal Paşa bevrijd. De dag zou elk jaar feestelijk worden herdacht.

     Voor de Grieken de vlucht namen, maakten ze zeker zestig voorname gebouwen, tweeduizend winkels en tienduizend woningen met de grond gelijk. Van de openbare gebouwen, paleizen en moskeeën die de sultans overal hadden gebouwd, bleven er maar enkele over.

     Als ik de Izmir Caddesi afliep, kwam ik bij de Sultan Cami, tegenover het Saruhan Parkı. De Sultanmoskee werd gebouwd voor Ayşe Hafisa Sultan, de moeder van Süleyman I, of Süleyman de Wetgever. Er hoorde een grote hamam bij, en een opvangtehuis voor geesteszieken en daklozen.

     Ayşe Sultan eerden we tijdens het Mesir-festival, het feest dat ieder jaar in maart aan de Sultanmoskee werd gevierd, waarbij de mesir macunu, een krachtig en kruidig gommetje, werd uitgestrooid. Er werd gezegd dat het wonderlijke snoepje wel veertig verschillende kruiden bevatte en de reputatie had het lichaam kracht te geven en gezond te maken.

     Aan de Uygur Sokağı, de volgende straat rechts, kwam ik bij de Muradiye Cami, de moskee met een Koranschool, waarvoor Sinan de plannen tekende. Koca Mimar Sinan werd door Süleyman I de Wetgever in dienst genomen. Hij was de briljantste architect en ingenieur in het Osmaanse rijk en werkte voor vier sultans achter elkaar. Sinan ontwierp meer dan tweehonderd vijftig gebouwen, moskeeën, universiteiten, paleizen, ziekenhuizen, scholen, waaronder de Selimiyemoskee in Edirne en de Süleymaniyemoskee in Istanbul, waar hij ook begraven ligt. Hij werd 99 jaar.



5 Het nieuwe huis

 

We woonden in een nieuwe halfopen woning aan de rand van de stad, aan de Izmir Caddesi, de grote weg van Manisa naar Izmir, in de wijk Hacı Yahya Mahallesi. Er stonden maar een paar kleine huizen, en er was een bakkerij. In de richting van Izmir, aan dezelfde kant, lag het joodse ziekenhuis Moris Şinasi Hastanesi, met daarachter de militaire kazerne. Meer gebouwen stonden er niet, wat niet wegnam dat het een drukke straat was, met een bushalte vlakbij. 

     Schuin tegenover ons huis lag de begraafplaats, en nog verder, op de grens met de wijk Karaköy, waren er enkele thee- of koffiehuizen, waar altijd mannen aan de tafeltjes binnen en op het terras zaten, aan hun thee slurpten, een sigaret rookten, over alles en niets palaverden. Als er een jonge vrouw voorbijkwam, op weg naar familie, de bakkal of het çeşmekraantje, keken ze haar beurtelings na en bogen dan hun hoofden naar elkaar, fezelden met een minachtend lachje om de lippen, maakten schampere of schunnige opmerkingen. De meeste meisjes, ook mijn zussen, wilden er niet langs, ze liepen nog liever een straatje om.

     Het was een mooie en ruime woning, met beneden de woonkamer en een grote keuken, en boven enkele slaapkamers. Er lagen overal houten vloeren waarover papa grote kelims uitrolde die warm en zacht aanvoelden. Onze tuin bleek bovendien groter dan die van de buren, met een vrijstaande oven waarin mama de broden bakte. Er was een grote moerbeiboom blijven staan, waarin papa een schommel hing.

     We sliepen op een mat en op met wol gevulde matrassen met een laken rond gewikkeld. Nefise en Habibe lagen bij elkaar, en Reyhan en ik deelden een bed. We namen ’s avonds een karaf water mee met vier glazen voor als we ’s nachts dorst kregen. Elk meisje had haar eigen glas en dacht er niet aan om dat van een zus aan haar lippen te zetten.

     Ik woelde de hele tijd in mijn slaap en maakte zus Reyhan voortdurend wakker, die er af en toe knettergek van werd en me dan een stomp gaf, want ze kon niet roepen, omdat ze geen stem had. Het kwam voor dat ik zo’n drukke nacht had dat ik ’s morgens bij de deur lag en mama de kamer niet binnen kon.

     'Als je straks niet stil blijft liggen, dan naai ik een slaapzak voor je!’ riep ze dan.

     De familie die haar intrek nam in het aanpalende huis, kwam ook uit den vreemde. Ze maakte deel uit van een gemeenschap van tweeëntwintig families die uit Gürcistan, of Georgië, over waren gekomen. Atatürk had inmiddels uitgevaardigd dat maar drie families uit dezelfde streek bij elkaar mochten wonen. De buurvrouw heette ook Fatma, ze was een Azeri en had drie dochters, Jale, Nihal en Nebahad. Haar man was al in Georgië overleden. Hij was een verwant van een voorname bei, een landsheer of leenvorst, die over een groot goed heerste en schatplichtig was aan de kalief.

     Vrouw Fatma had het moeilijk. Familieleden en vrienden die elders waren gaan wonen, hielpen haar de eindjes aan elkaar knopen. Mama liep er geregeld aan. ‘Soms heeft een mens meer aan een goede buur dan aan een verre verwant,’ zei ze dan.



4 Manisa

 

In Inciraltı, Balçova, even buiten het hart van Izmir, ving de kaymakam, het hoofd van het district en vertegenwoordiger van de gouverneur van de provincie, ons samen met enkele ambtenaren van de overheid op. Om te voorkomen dat we allemaal bij elkaar gingen wonen, werden we in groepen van tien tot twintig families verdeeld en naar uiteenlopende gebieden gestuurd. We maakten deel uit van achttien families, allemaal verwanten en buren die uit dezelfde streek van Sjoemen kwamen. We kregen een Turks paspoort en mochten al meteen een nieuwe achternaam kiezen. Papa en de kinderen heetten nu Baybek.

     De staatsdienaar legde ons uit welk dorp onze bestemming was. We trokken er met karren naartoe en kwamen terecht in een armzalig dorpje tussen boeren die maar net het hoofd boven water hielden. De mannen klopten verontwaardigd op de deur van het gemeentehuis en deden hun beklag:

     ‘Wij zijn bemiddelde stadsmensen, wij zijn geen boeren, wij weten niet hoe we het land moeten bewerken, wij kunnen niet op het platteland leven.’

     We bleven er twee weken en mochten toen naar een ander dorp, waar de situatie net eender was.

     ‘Is dit de manier waarop u ons verwelkomt? Hebben we hiervoor onze geboorteplaats achtergelaten, ons werk opgegeven?’

     Een maand later mochten we weer opbreken en inladen.

     Drie keer sloegen de mannen het aanbod van huis en grond in een dorp af. Ze wilden hier tenslotte hetzelfde leven leiden als in Bulgarije.

     Uiteindelijk kwamen we in Manisa terecht, een mooie grote stad aan de voet van de Spilberg, in een vruchtbare omgeving met olijfbomen, wijnvelden, fruitgaarden en groentetuinen.

     De grootouders van de burgemeester waren ook afkomstig van Bulgarije. Hij ontfermde zich over de families en bracht ons onder in een kleine wijk even buiten de stad. Het waren oude, verweerde huisjes, met een woon- en slaapkamer, een kleine keuken en zolder, zonder deur of raam, waar wij kinderen sliepen. De inwoners waren verre van hartelijk en gastvrij. Papa sloot ’s avonds de buitendeur, schoof twee grendels dicht en stak een mes tussen deur en stijl. Meer dan eens vonden we het ’s ochtends op de grond.

     Net als de andere huisvaders moest ook papa naar het gemeentehuis om ons op de dienst bevolking in te schrijven.

     ‘Naam en geboortejaar van de kinderen,’ zei de ambtenaar nog voor hij van het document opkeek.

     ‘Ik ken ook de maanden en dagen, zelfs de uren,’ antwoordde papa.

     ‘Het jaar volstaat, meer hoef ik niet te weten.’

     ‘Hoe bedoelt u? U neemt de datum toch volledig op?’

     ‘Ach nee, mijnheer, dat is nergens voor nodig.’

     ‘Ik zou het op prijs stellen, mocht u…’

     ‘De laatste, Safiye, 1933, dus. Zo, dat is dan in orde.’

     ‘Ik zou er toch op willen aandringen…’

     ‘Mijnheer toch, bijzaak, van generlei belang.’

     ‘Ja, maar…’

     ‘Excuseer mijnheer, kijk eens achter u, er wachten nog mensen. De volgende!’

     Papa beet zich op de tong, maar een keer buiten mopperde hij dat hij genoeg had van de Turkse heertjes die in dienst van de overheid werkten, die kreunden onder het gewicht van hun ambt, indruk maakten met hun vormelijk gezag en er zich in verlustigden om eenvoudige burgers te koeioneren. Hij had vanzelf al meer moeite met de lange weg die we moesten afleggen. Mama kon er zich beter mee verzoenen. ‘Allah wil de mens niet altijd en overal uit de nood helpen,’ legde ze uit, ‘hij moet zichzelf ook leren redden.’

     Als tegemoetkoming voor ons offer, onze terugkeer naar het oude land, had president Atatürk aan elke familie een nieuw huis en een grote lap grond toegezegd, waarbij staat en familie elk de helft van het goed zouden betalen. We moesten wel wat geduld oefenen, de huizen moesten nog gebouwd.

     Er ging nog een heel jaar overheen voor we konden verhuizen. Om ruzie te vermijden zouden de huisvaders lootje trekken om uit te maken wie in welk huis mocht. Er was weinig reden tot onvrede want het waren allemaal mooie woningen, met 16 dönüm wijngaarden. Niet veel later huurde papa nog eens 16 dunam katoenvelden, waarmee hij vage plannen had maar uiteindelijk niets deed. Hij had de handen vol met zijn werk en de wijnvelden.

     Hoewel alles naar wens leek te lopen, bleef papa met de overgang naar het nieuwe land worstelen. Veel andere verhuizers verging het niet beter. Als de mannen bij elkaar stonden, zwegen ze lang en keken somber, of vertelden moeilijke verhalen met geraspte stemmen. Ze hadden zich gevestigd in een moederland dat hen vreemd was, vreemder dan het thuisland waarin ze waren opgegroeid, tussen mensen die hen vijandig gezind waren.

     De Turkse ambtenaren wisten dat de Bulgaarse families waardevolle munten of stenen mee hadden gebracht. Ze zaten hen voortdurend dwars en gingen gewiekst te werk. Onze mannen moesten op hun hoede zijn en nog werden ze opgelicht of afgeperst.

     De burgers zagen groen van jaloezie omdat wij, inwijkelingen, een huis en lap grond in de schoot kregen geworpen en waren niet geneigd ons in de armen te sluiten. Sommige van onze families hadden af te rekenen met dieven of inbrekers, andere werden openlijk bedreigd of gepest. De inwoners bleven ons nog jaren scheef aankijken, zodat we op elkaar aangewezen bleven en niet echt aardden. Veel van onze mensen hadden alle moeite om zich aan het nieuwe leven aan te passen. Sommige mannen kregen last van een lever- of hartkwaal, enkele stierven zelfs van alle misère.

     ‘Zie je nu, hoe mooi het hier is?’ liet papa zich meer dan eens ontvallen.

     ‘Ach, vader,’ antwoordde mama dan, ‘het is nu zo, we kunnen toch niet meer terug. Het oude land heeft zijn grenzen achter ons gesloten.’

 

 

3 De uitwisseling

 

Het was niet de eerste grootschalige uitwisseling die de overheid had opgezet. Dertien jaar eerder, een jaar na de Onafhankelijkheidsoorlog, waren de Yunanlar, de oude Grieken in Turkije, en de oude Osmanen in Griekenland elkaar ergens halverwege tegengekomen, een ongekende volksverhuizing waarin naar schatting anderhalf miljoen Grieken en een half miljoen Turken mee waren gelopen. Papa had er aan het station en in de stad grote verhalen over opgeraapt.

     De Grieken waren zelfverzekerde, ondernemende en ontwikkelde lieden. Ze leefden al meer dan duizend jaar in de Egeïsche kuststreek toen Turkmeense Seltsjoeken in de 11de eeuw het Byzantijnse rijk binnenvielen en de plaatselijke Anatolische volken onderwierpen. Onder de sultans vormden de Grieken de grootste minderheid langs de hele Egeïsche kust, aan de Zwarte Zee, in Thracië en in Istanbul, waar ze vreedzaam naast en met de Osmaanse moslims leefden. Niettemin koesterden zowel in Griekenland als in Turkije nog veel christenen een oude droom, de Grote Gedachte, het eerherstel van hun vroegere rijk, met Byzantium als hoofdstad en een christelijke koning op de troon.

     Toen het Osmaanse rijk langzaam instortte, wachtten ze geduldig af en grepen de aanslepende oorlog aan om het hele Egeïsche Zeegebied in te nemen. Maar het tij keerde en Mustafa Kemal Paşa ranselde de Griekse strijdmachten er in 1923 weer uit. Hij stelde een sterke, islamitische, op westerse leest geschoeide Turkse staat voorop, zonder christenen van welke herkomst ook.

     Zijn generaal Mustafa Ismet Inönü onderhandelde met afgevaardigden van de bezettende machten de Vrede van Lausanne, een verdrag dat de oorlog afhandelde en de grenzen van de nieuwe Turkse natie aftekende. De Egeïsche kuststreek werd aan Turkije toegewezen. Alles wat niet-Turks was, in taal en geest en volk, moest eruit, en alles wat elders in de wereld Turks bloed had, moest erbij. De oude Griekse onderdanen werden voor landverraders en samenzweerders aangezien. Meer dan een miljoen christenen vluchtten weg uit Turkije, terwijl honderdduizenden moslims zich uit Griekenland wegmaakten om de verwachte wraakacties voor te blijven.

     Met de uitwijzing die het verdrag oplegde, werden nog een tweehonderdduizend verknochte christenen onder dwang uitgewezen, en meer dan driehonderdduizend moslims met aandrang teruggeroepen. De christenen werden door de jandarma samengedreven en in lange karavanen op weg geholpen. Ze waren nog Grieks omdat hun voorouders Grieks waren, en ze waren hier omdat ze er altijd waren geweest, samen met Osmanen en Armeniërs en Koerden, inwijkelingen en vluchtelingen van overal. Het was hun eeuwenoude land, hun vaderland, hun geboortegrond, en nu moesten ze dit land, waar ze talloze generaties lang van vader op zoon hadden gewoond, verlaten en naar huis gaan, een plek die ze niet eens wisten liggen.

     Aan de Egeïsche kust liepen hele en halve dorpen leeg. De christenen, vaak bekwame ambachtslieden en onderlegde kooplui, namen hun kennis en kunde mee en lieten lege werkplaatsen en handelspanden achter. Veel van hun geschriften, in archieven, bibliotheken, gemeentehuizen, rechtbanken, waren in een eigen taal opgesteld, waarbij ze het Turks dat ze spraken met Griekse letters schreven. De Turken, die dit vreemde schrift niet konden lezen, ruimden alles op, verbrandden hun overlevering, wisten hun geschiedenis.

     Andersom verliep het net eender, de Turkse Grieken waren spiegels van de Griekse Turken. De moslims die de omgekeerde weg aflegden, waren veeleer handarbeiders en boeren, eenvoudige stervelingen die niets van politieke motieven en militaire bewegingen kenden en die van vandaag op morgen hun vertrouwde leven moesten opgeven om naar ver en onbekend gebied te vertrekken.

     Simpele dorpelingen en plattelanders wisten nergens van, ze vingen hooguit iets op van wat er in hun eigen dorp of streek gebeurde, maar ze aanvaardden het hogere gezag en schikten zich ernaar. Een verzoek van hogerhand was een bevel, en getrouwe soldaten en burgers volgden dat bevel op, hoe merkwaardig of onzinnig het van op een afstand misschien ook leek. Het was voor hun eigen goed, werd gezegd, voor een beter leven en een mooiere toekomst, en het was een nobel opzet, werd beweerd, een politieke ingreep om de oude verspreide Osmanen tegen vergelding te beschermen en in een nieuw veilig machtig Turkenland samen te brengen. Het was de stem van een meerdere, en een meerdere was maar een meerdere omdat hij ergens verstand van had en wist wat goed was voor een mindere.

     Ze kwamen aan in Turkije, los van afkomst en taal, met dezelfde godsdienst maar een andere leefwijze, vreemde zeden en gewoonten. Velen van hen brachten armoede, heimwee en wrok mee, vestigden zich in een omgeving die hen niet gunstig gezind was en voelden zich voor de rest van hun leven ontworteld.

Zowel de Grieken als de Turken werden niet helemaal aan hun lot overgelaten. De waarde van hun eigendommen werd door commissies geschat en ter plekke of bij aankomst uitbetaald. Ze kregen een leeg dorp, praktische en materiële steun toegewezen. Wat wilden ze nog meer?

     Maar hoe ontheemd kon zo’n landwerker zijn als hij uiteindelijk zogenaamd ‘thuis’ kwam, bij buren die hem volkomen vreemd waren? Die hem meden, verachtten en bedrogen, als uitschot behandelden en wegtreiterden, omdat hij de verkeerde taal sprak, de verkeerde landaard had? Die hem ‘Ga terug naar huis!’ nagromden of toeriepen, terwijl de overheid net had gezegd: ‘Kom naar huis, jullie land is hier’?

     De Bulgaarse Turken en Turkse Bulgaren hadden een kleiner verhaal, maar het ging net zo goed over mensen die naar hun oude land terugkeerden, een vaderland dat hen vreemd was, vreemder dan het land waarin ze waren opgegroeid, en het had dezelfde teneur, de trieste, melancholische ondertoon van ontworteling, van mensen die een thuis achterlieten en een ander thuis opzochten en er dan achter kwamen dat ze hun wortels niet zomaar ergens uittrokken en elders weer onderspitten.



2 Het nieuwe land

 

In 1936, toen ik een kleuter van drie was, verhuisde onze hele familie samen met de andere families van eenzelfde grote Turkse gemeenschap naar Izmir. Ze gingen in op de oproep van Mustafa Kemal Atatürk, die de inwoners van de vroegere Osmaanse staten ertoe wilde bewegen naar hun oude vaderland terug te keren. Tegelijk stuurde hij de nakomelingen van Bulgaarse voorouders in Turkije ook weer naar huis terug.

     Het was geen bevel, het was een appél, een dwingend verzoek, waar mama wel oren naar had. De verstandhouding tussen de Turkse moslims en Bulgaarse christenen was troebeler, en ze wilde voorkomen dat een van haar dochters wat overkwam of voor een Bulgaarse jongen viel. De uitnodiging leek billijk, vond ze, wat ze achterlieten, hadden ze in het vooruitzicht: ze zouden in Turkije over huis en land mogen beschikken. Papa was eerder geneigd te blijven, het was een vertrouwd leven en hij had een bloeiende zaak. De argumenten hielden elkaar een tijdje in evenwicht, tot de balans uiteindelijk doorsloeg. Ze sloten zich aan bij de gezinnen van drie dorpen die samen zouden verhuizen.

     Het was een geweldige onderneming. Papa verkocht het huis aan een buurman, de han of de herberg en alles wat vast stond en de overtocht niet haalde aan buren en kennissen. Met ons hele overblijvende hebben en houden, meubels en kelims en kisten, vulden we toch nog vijf paardenkarren tot de rand. Het gezin van Hanım Yenge, een buurvrouw, laadde maar liefst achttien karren vol.

     De uitverkoop bracht veel levs op, geld dat we niet konden meenemen maar in goudstukken omzetten, die we voor mogelijke dieven of plunderaars verstopten. Mama kneedde en bakte ze in broden, die we de hele weg meevoerden maar nooit aanbraken. Andere reizigers verborgen hun kostbare stenen, juwelen en munten tussen de lading, droegen ze in buidels op hun huid of naaiden ze in dubbele zomen, verholen naden en geheime zakken van hun kleren.

     Met een karavaan paardenwagens trokken we van Sjoemen naar de stad Varna aan de Zwarte Zee, waar we alles op enkele boten overlaadden en in een paar dagen de oversteek maakten naar Istanbul, verder over de Zee van Marmara en de Egeïsche Zee, tot helemaal in Izmir.

 


1 Papa Ali en mama Fatma

 

Ik ben in 1933 geboren in Shumen, ook Şumnu of Sjoemen, in het noordoosten van Bulgarije, niet ver van de Donaurivier en de Roemeense grens. Mijn voorouders woonden er al van in de 14de eeuw, toen de machtige en strijdlustige sultans tijdens hun veroveringstochten de hele Balkan, met Bulgarije, innamen en bij het grote Osmaanse rijk inlijfden. De Osmanen die zich in de Balkanstaten vestigden, stonden al die tijd onder de hoge bescherming van de sultan. Eind 19de eeuw roerden grote gebieden in de Balkan zich, eisten rechten en eigen staten. Toen de bezette christelijke gebieden zich tegen de Osmaanse heersers keerden, kwamen de moslims in een lastige situatie.

     Ali Sadıkoğlu en Fatma Kızıloğlu waren allebei van goede komaf, ze groeiden op in twee families van welgestelde ondernemers.

     Ali raakte als jongeman betrokken bij een voorval dat zijn jong leven zou tekenen. Hij was pas 22 toen hij op een avond met enkele makkers de bloemetjes had buiten gezet en met een stuk in de kraag thuiskwam. Een paar uur later werd hij door de politie van zijn bed getild en ondervraagd. Hij was te dronken om zich iets te herinneren en om te begrijpen wat zij vroegen en wat hij antwoordde, maar de politie concludeerde uit het warrige onderhoud dat hij schuld bekende. De ontnuchtering volgde ‘s ochtends toen Ali wakker werd in de gevangenis met een aanklacht tussen zijn tenen. De patser met wie ze de vorige avond woorden hadden gekregen, was dood teruggevonden. De rechter veroordeelde hem voor doodslag en klopte het vonnis af op acht jaar gevangenis.

     Fatma was enig kind en werd in een beschermde omgeving opgevoed. Haar ouders hadden een dienstmeid in huis zodat ze zelf nooit aan huishoudelijk werk toe kwam. Van toen ze vijftien, zestien was, meldden zich al moeders of aanbidders aan, maar die haakten weer af als ze hoorden of in de gaten kregen dat ze twee linkerhanden had die niet eens naar behoren koffie konden zetten of pilav volgens de regels konden maken, vaardigheden waarmee jonge vrouwen hun huishoudelijke aanleg moesten tonen. Koffie moest zwart zijn als de hel, sterk als de dood en zoet als de liefde, zeiden de oude stemmen. Een jonge vrouw moest het water met koffie en suiker in de cezve, een messing of koperen koffiepannetje, boven een vuurtje verhitten waarbij het water maar net lang genoeg kookte en de koffie een stevig schuimlaagje kreeg. Voor pilav, het oude gerecht, moest ze bulgur in olie fruiten en vervolgens met kruiden, peulvruchten en vleesstukjes gaar smoren.

     Ali, die een lastig verhaal met zich meedroeg en besefte dat hij in hun gemeenschap niet meer alle keus van de wereld had, zag Fatma wel zitten. Ze was twintig en hij was tenslotte de dertig al voorbij.

     ‘Goed,’ zei de baba van Fatma, ‘maar dan moet je er de dienstmeid wel bijnemen, want mijn dochter kan niets zelf.’

     ‘Vooruit dan maar,’ zei Ali, en ze trouwden.