De geknipte keuze

Guy Brugmans


DE GEKNIPTE KEUZE

Tussen 2011 en 2014 voerde ik talloze

gesprekken met Hayrettin Dumlugöl en Remziye Baybek, en bezocht ik alle

plekken in Turkije waar ze hebben gewoond en gewerkt. In de roman De keuze hield ik hun geschiedenis aan, maar moest ik heel wat zijverhalen, passages en anekdotes schrappen, die als losse columns hun levensverhaal aanvullen. Die breng ik hier samen in De Geknipte Keuze.


28 Remziye - Rouwtijd

28 Rouwtijd


Papa was niet meer. Zeven avonden sloten de buurvrouwen de kring met mama, lazen uit het oude boek, namen en gaven het woord, nederig en eerbiedig. Ze wezen er ons op dat papa dorst had, dat we hem geregeld water moesten geven - wat we ook deden. Mama ging elke dag naar het graf om het aarden kruikje bij te vullen. Habibe en ik maakten op vrijdag het graf schoon en gaven de plantjes water.

     Volgens de traditie hulden de nabestaanden zich drie dagen in stille rouw, maar het was een losse regel, heel wat gelovigen deden er langer over. Mama herdacht papa na zeven dagen, na 40 dagen en na 52 dagen, waarbij de hodja, bloedverwanten en buurvrouwen op vrijdag samenkwamen, de maaltijd deelden, uit het boek lazen. Mama en de meisjes vulden de tafel met kip met pilav, pide of lokma, zoete oliebolringen in suikerstroop gedrenkt en met kaneelpoeder bestrooid.

     Op elli ikisi, de 52ste dag, sloot ze de rouw af met een laatste bijeenkomst. Het is de dag waarop het vlees zich losmaakt van de beenderen, wat met veel pijn gepaard gaat. De vrouwen smeekten Allah om het laatste leed van papa te verzachten. Als de beenderen schoon waren, was zijn ziel bevrijd, had ze het aardse leven verlaten en werd ze in het paradijs opgenomen.

     Op de eerstkomende en alle volgende feestdagen gingen we eerst naar de moskee en bezochten dan het graf. Voor het Offerfeest staken de boeren şimşir, buxus, uit die ze aan de moskee verkochten. Mama zette verse plantjes rond het graf en vroeg op de terugweg enkele bedelaars mee aan de moskee, net zoals papa het deed en nog zou doen.

     Mama bleef alleen achter, met Habibe, Reyhan en mij, drie dochters tussen pas negen en net vijftien jaar. Het werd nog zoveel stiller, nu papa er niet meer was en Nefise uit huis was. Habibe weefde elke dag een top aan elkaar, ze was nu het enige meisje dat uit te huwelijken was maar dat ook voor het magere inkomen zorgde.

     Mama maakte elke dag duidelijk dat de situatie penibel was. ‘Ik leef in de omgekeerde wereld,’ zuchtte ze meer dan eens. In haar jonge, taaie jaren toen ze overal beter tegen kon, had ze het heel goed, en nu ze ouder en zwakker werd, was het leven zoveel lastiger en zwaarder.

 


27 Veertig


Na de bevalling werd een vrouw verondersteld zich veertig dagen af te zonderen. De mond van het volk, die niemand zag maar iedereen hoorde, zei dat een zwangere vrouw onrein was en andere mensen na de geboorte zo lang op afstand moest houden. Tegelijk behoedde ze zichzelf hiermee voor schadelijke invloeden en schermde ze het kwetsbare kind af tegen besmetting, ziekte, gevaar. Een moeder hield zich binnen, in huis, zeker ’s avonds, en mocht het kind nooit alleen laten, zodat de kwade djinns het niets konden aandoen.

     Uit gesprekken die mama en de vrouwen voerden, had ik opgestoken dat veertig een heilig getal uit oude tijden was, het getal van de beproeving. De zwangerschap zelf duurde veertig weken. Op de veertigste dag na de bevruchting had Allah de levensweg van de nieuwe mens uitgetekend en ingeblazen. Het duurde veertig dagen en veertig nachten voor de wateren van de zondvloed de aarde hadden schoongespoeld, en de profeet Nuh of Noach wachtte veertig dagen voor hij de ark opende.

     Latere Bijbelse profeten trokken zich geregeld veertig dagen terug om zich in stilte en gebed te bezinnen. Musa, of Mozes, trok veertig jaar lang door de woestijn en verbleef veertig dagen en nachten op de berg Sinaï. Na zijn doop bracht de profeet Isa, Jezus, veertig dagen in de woestijn door en de grote profeet Mohammed verbleef een even lange tijd in een grot. De christenen vastten veertig dagen om in stilte en afzondering en met versterving weer bij zichzelf te komen. Moslims namen veertig dagen deel aan de hadj, de heilige pelgrimstocht, een periode waarin ze baden en zich onthielden, en veel gelovigen hielden na de begrafenis van een naaste veertig dagen diepe rouw aan, waarbij de mannen zich zo lang niet schoren.

     De mens was er doorheen de tijden blijkbaar achtergekomen dat het veertig dagen van ontbering vergde om tot zijn diepste wezen door te dringen, oude gewoontes af te leggen en er zich nieuwe eigen te maken. Het was een oude, wijd verbreide praktijk geworden, net als het gebruik van water om lichaam en geest en ziel te zuiveren.

     Volgens dezelfde oude mond kon de mens een kwade djinn oproepen als hij een pasgeborene prees. Wie een moeder met haar kind trof en zich vertederd ‘Oh, maar wat een mooi kind!’ liet ontvallen, riep er onheil over af. Het was een ongunstig voorteken, een mooi kind dat bijzondere aandacht kreeg, opgehemeld en verwend werd, ontwikkelde nukken en grillen in plaats van innerlijke kracht, wat later ongeluk zou brengen, zoals een knap meisje niets dan ellende zou aantrekken. Het was dan ook aangewezen ‘Ay canım ne kadar çirkinmis!’ te zeggen – ‘Oei, hoe lelijk ben jij!’ Als de noodlottige uitspraak niettemin viel, was het onheil alsnog af te wenden door aan de vleiende opmerking meteen Maşallah - ‘Moge Allah je beschermen’ - toe te voegen.

     In het algemeen was ongeluk af te slaan door de eerste regel van de Koran uit te spreken: ‘In de naam van Allah, de Barmhartige, de Genadevolle.’ Ook met een muska of amulet, zoals een koran, het geluksoog en knoflookteentjes of blauwe kralen, viel het kwaad af te weren. Sommige moeders legden een spiegeltje of heilig boek of zelfs een mes onder hun eigen hoofdkussen, of een amulet of boekje onder dat van de baby.

     De kwade geest met de nazar, het boze oog, boezemde de volkse mens grote angst in. Het boze oog was de grootste oorzaak van rampspoed, het bracht ellende en zaaide verderf. De overtuiging leefde dat iemand met helderblauwe ogen een boosdoener was van wie de blik zei: ‘Uw graf wacht.’ Als iemand met lichte ogen je aankeek als je iets had misdaan, kondigde hij een onherroepelijke straf aan.

     Het boze oog kon worden afgehouden door het blauwe geluksoog of het oog van Fatima, de nazar boncuğu, het meest vertrouwde amulet. Het was een krachtig afweermiddel, vaak een gekleurde glazen kraal of druppel, of een platte schijf met cirkels in donker- en lichtblauw, wit en zwart. Het sloeg de kwade geest af, hield vijandige mensen weg, trok slechte energie aan en nam zijn kracht weg.



26 Papa's uitvaart


‘Ik wist het,’ zei de hodja, ‘ik heb vorige week een ster over je huis zien vallen, en als er een ster valt, valt er een mens, zo gaat het, Allah heeft het zo gewild.’

     Hij waste het lichaam van papa Ali met geurig water en wikkelde het driemaal zorgvuldig en strak in de witte wade, zoals de regel het oplegt, en bereidde hem voor op zijn laatste reis, naar de begraafplaats, naar de hemel, de tuin van Mohammed, het rijk van de eeuwige Allah.

     Mama zette de schoenen van papa aan de deur en legde er zijn kleren bij. ‘Misschien kan iemand er wat mee,’ fluisterde ze, met zijn woorden. Ook nu was er iemand die er wat mee kon.


     Tegen de wand van de woonkamer hing een klok, die papa altijd zelf opwond. Terwijl hij insliep, waren de benen waarmee de tijd voortholt, plots blijven stilstaan. Wat we ook deden, de klok wilde niet meer, we kregen ze nooit meer aan het tikken.

     Ali Baybek Ağa was niet meer. De tellal riep het bericht, het overlijden van de dierbare onderdaan driemaal per dag door het hart van de stad. Veel mannen hadden maanden meegeleefd en toch bleven ze verrast en aangeslagen ter plekke staan toen het nieuws tot hen kwam. Ze droegen het rond, namen het mee naar huis, naar hun vrouwen, die het weer aan andere vrouwen doorgaven en mama kwamen opzoeken.

     ‘Ali Ağa rahmetli, de brave, wijze man is heengegaan, hij is nu bij Allah.’

     ‘Yüce Tanrım, de Heer zegene hem.’


     ‘Moge Zijn heilige licht op hem schijnen.’


     ‘Allah rahmet eylesin, Allah hebbe zijn ziel.’

     'Ali Amca had veel deugden, hem wacht een zalig leven in het paradijs.’

     Wie papa had gekend, van dichtbij of veraf, met hem had gesproken of gehandeld, respecteerde en bewonderde hem, want hij was een goed mens, een zachtaardig, behulpzaam, betrouwbaar en rechtvaardig man.

     Papa werd in de kist gelegd, de enige kist die bij de moskee hoorde, waarin alle overledenen van huis naar begraafplaats werden gebracht. Het waren de mannen, zonen, broers en buren die hem op de schouder namen, naar de begraafplaats aan de overkant van de weg vergezelden en zich rond de hodja en de kuil schaarden, waar zich het oude ritueel van afscheid voor hem herhaalde.

     ‘Oh dienaar van Allah, zeg mij dat mijn God Allah is, mijn profeet Mohammed, mijn doel de Koran en mijn godsdienst de islam.’

     De hodja ging voor in gebed, sprak de geloofsbelijdenis uit, las de zeven verzen van de Fatiha Suresi, de Soera De Opening, het eerste hoofdstuk van het Heilige Boek, waarin hij Allah prees en erbarmen afsmeekte voor de zielen van de dode en alle overledenen.

     ‘In de naam van God, de Barmhartige, de Genadevolle Lof zij God, de Heer van de werelden, 
De Genadevolle, de Barmhartige, 
De Heerser op de Dag des Oordeels. U dienen wij en U vragen wij om bijstand. 
Leid ons op het rechte pad. 
Het pad van degenen aan wie Gij Uw genade schenkt,
 niet dat van degenen op wie toorn rust en niet dat van de dwalenden.’

     De doodgravers zwegen en handelden ingetogen. De handen waarmee ze de kuil dolven, tilden het witte lichaam van papa uit de kist, schoven hem er met de voeten in, draaiden hem op zijn zij, met het gezicht naar de Kaäba in de Heilige Stad, steunden hem met planken, bedekten hem met rieten matten, namen de schop op en stortten aarde.

     ‘Wat voor iemand was de overledene?’


     ‘Hij was een goed mens.’


     ‘Vergeeft u hem wat hij u heeft aangedaan?’

     ‘Wij vergeven het hem.’

     ‘Kunt u de overledene loslaten?’


     ‘Wij laten hem gaan.’


     ‘Ruhuna fatiha, dat zijn ziel ruste in vrede bij Allah.’


     ‘Amin.’


     Het waren dezelfde handen die de kuil sloten en het droge, mulle zand over het graf schepten.


     ‘Het zij zo, het is volbracht, het is goed zoals het is, omdat Hij het zo wil.’


Met deze woorden vertrok zijn ziel naar het paradijs, terwijl zijn lichaam achterbleef in afwachting van zijn wederopstanding op de dag des oordeels, de dag dat Dabbe’tül Arz, het Beest van de Aarde, het gezicht van de ongelovige zwart en dat van de gelovige wit zal schilderen.

 

 

25 Trouw


Een man die zijn oog liet vallen op een vrouw, stuurde zijn moeder, een zus of tante of, zoals nu bij Hüseyin en Nefise, een tussenvrouw met een aanzoek naar haar ouders. Als hij zichzelf mocht voorstellen, kwam het erop aan dat hij zowel de uitverkorene als haar ouders voor zich wist in te nemen.

     Hüseyin was enig kind, hij kwam uit een rijke familie en was ruim tien jaar ouder. Als een man zich voor een dochter aandiende, was hij niet zelden tien, vijftien of twintig jaar ouder. Hij had oog voor een ijverige en gezonde en bij voorkeur jonge vrouw, zodat hij ervan mocht uitgaan dat ze nog ongeschonden was. Een meisje wist al vroeg dat voor een kommerloos huwelijk de deugd of eer voorop stond, en dat die voor man en vrouw verschilde. De mannelijke şeref of onur hield in dat Hüseyin zijn rol als gezinshoofd hoog hield, voor een inkomen zorgde, voor vrouw en kinderen instond. De namuz sloeg voor Nefise op de huiselijke toewijding en vleselijke reputatie, die zuiver en onbesproken moesten zijn.

     Volgens een oude overeenkomst zou de vader van de bruidegom als bruidsprijs het gewicht van zijn schoondochter in goud betalen, of een çeyiz, een bruidsschat van overeenkomstige waarde inbrengen, een vergoeding voor de werkkracht die de ouders uit handen gaven. Families van lagere komaf, die het niet konden opbrengen, gooiden het op een haalbaar akkoord.

     De ouders troffen elkaar vervolgens om tot een overeenkomst te komen, en de geliefden beloofden zich aan elkaar. De familie van de vrouw bekrachtigde haar belofte symbolisch met een persoonlijk kleinood, zoals een zijden zakdoekje. Tijdens de sözlü, de beloofde tijd, mochten ze zich met een begeleider in het openbaar begeven. Op het verlovingsfeest werden ze nişanlı, verloofd, en na het huwelijksfeest waren ze evli, getrouwd.

     Op het Hennafeest, op de avond voor het huwelijk, verenigden de vrouwen zich in huis en bewonderden de uitzet. Grote zus was mooi en vertederend, de bruidsschat bescheiden maar toereikend, de avond opwindend. Het was een feest dat ook een afscheid was. We speelden en zongen vrolijke en droeve liedjes. Ik giebelde mee als de vrouwen lachten, snikte mee als ze huilden.

     De volgende middag trokken de families in een stoet naar het gemeentehuis. Het feest dat erop volgde, vulde de hele avond. De vrouwen zongen en dansten op de wijsjes van een gezelschap zigeuners met davul, zurna en viool. Verwanten en genodigden behingen de bruidsjurk met goud en geld, waarmee Nefise zich in tijden van nood kon redden. Toen ze achter Hüseyin de nacht in liep, was ze zijn huisvrouw, zijn levensvrouw.

Veel meer stelde het niet voor. Voor zowel Hüseyin als Nefise riep het begrip ‘samen’ een leefwereld op die ze van hun ouders en andere echtparen afkeken en die al in grote lijnen vastlag: feest, uitzet, huis, familie, kinderen, werk, geld. Ze konden zich hun leven en hun toekomst grotendeels voorstellen, ze herkenden al op voorhand wat ze nog niet kenden.


 

24 Nefise

 

Op een late namiddag klopte buurvrouw Esra aan. Mama zette thee en stuurde ons weg, naar boven of naar buiten. Het bezoek was mij halvelings ontgaan, de buren hadden vertrouwde gezichten.

     Uit wat Nefise ons later met haar handen wriemelend en over haar woorden struikelend vertelde, werd duidelijk dat vrouw Esra door Hüseyin, een oudere buurman, was gestuurd. Het was de oude gang van zaken, en de naam Hüseyin was al eens na het woord huwelijk gevallen. Maar nu hij elke dag ter sprake kwam, bracht het opwinding in huis.

     Mama overlegde met papa. Samen onderhielden ze zich met zus, die eerst niet goed wist hoe ze het had en toen knikte, ze was er wel voor te vinden.

Papa keek vermoeid en gaf al gauw zijn zegen. Nefise was zeventien, ze was nog rein, ze was er klaar voor. Mama had haar alle vrouwelijke deugden en huishoudelijke vaardigheden bijgebracht, haar bruidsschat klaargemaakt. 

     Mama was een vrouw op leeftijd. Ze beschikte over wijsheid en ervaring, die ze met die van andere vrouwen aanlengde en met ons deelde, niet in één lange lezing maar nu en dan, bij beetjes. Zoals ze de bloemen met gulpjes water voedde, zo gaf ze ons te gepasten tijde wat we nodig hadden en bereidde ons voor, ons hele jonge leven door. Nu Nefise voor een huwelijk stond, leek het alsof mama haar met de kruik aangoot. Ze hield haar dicht in haar buurt en praatte de hele tijd door, bevelend en vermanend, zonder opzij te kijken. Het gebeurde uitdrukkelijk en opzichtig, klaarblijkelijk wilde ze ook de jongere meisjes tot getuigen maken.

     Terwijl we naar onze oudste zus keken, zagen we haar veranderen in een voorzichtige en gesloten jonge vrouw, die zwijgzamer door het huis bewoog, schichtiger de straat op ging. Het werd voor ons met de dag duidelijker wat een ingrijpende gebeurtenis de echtvereniging moest zijn.

     Mama had nog haar twijfels. Ze had een deugdzame dochter die een mooie bruidsprijs waard was en voor een toegewijd meisje van een goede familie waren er wel meer gegadigden: zonen van ambtenaren die op de gemeente of in een school werkten, ambachtslieden, handelaars, een kantoorbediende of handarbeider met vast werk. Ouders uit de hogere kringen hadden uiteindelijk minder keuze, ze moesten voor hun dochter een echtgenoot van hun eigen stand vinden, en die was heel wat kleiner.

     De familie was bemiddeld en Hüseyin was enige zoon, en dat was goed en niet goed. ‘Een enig kind is een zwak kind,’ zei ze, ‘het krijgt geen handen aan het lijf.’ Ze worstelde met het verzoek, de belangen die ze moest afwegen, de keuze die ze moest maken. ‘Het is alsof mijn hart twee gezichten heeft,’ zei ze. ‘Het ene kijkt opgelucht omdat ik een deugdzame dochter kan weggeven, het andere ziet met lede ogen aan dat mijn eerste kind en nuttigste kracht uit huis vertrekt.’

     Vrouw Esra kwam terug, mama nodigde zijn ouders uit. Met thee, lokum en baklava gaven ze hun wederzijds akkoord, bespraken de bruidsprijs en het feest. Nefise bracht linnengoed en keukengerei in, Hüseyin zorgde voor enkele meubels en huisraad. Ze verloofden zich in het gezelschap van beide families, terwijl mijn zussen af en aan liepen met zoet en drank.



23 Tarzan

 

Hij zou in 1899 in Samarra, in het toenmalige Turkmenistan in het Osmaanse rijk, zijn geboren, en hij werd 64 jaar. Eigenlijk heette hij Ahmeddin Carlak maar later nam hij om een of andere reden de naam Ahmet Bedevi aan.

     In de Eerste Wereldoorlog diende hij in het Turkse leger onder Kâzim Karabekir en tijdens de Onafhankelijkheidsoorlog onder generaal Mustafa Kemal Atatürk. Tijdens de bevrijdingsstrijd leerde hij een vrouw kennen, Meral, die als vrijwillige verpleegster werkte en zijn verloofde werd. Ze trok met hem mee van de ene naar de andere oorlogshaard, maar viel op een noodlottige dag op een ongelukkige manier ergens van de rotsen. Hij haastte zich naar beneden, maar hulp kon niet meer baten.

     Hij was een dapper soldaat, voor zijn inzet in dienst van het vaderland kreeg hij na de oorlog de eremedaille met het Rode Lint. Als de Onafhankelijkheidsoorlog op 19 mei met een ceremonie werd herdacht, droeg hij trots een eervol zijn medaille op een palmblad. Aan elke officiële plechtigheid nam hij deel.

     Toen de Griekse bezetters op 8 september 1922 uit Manisa werden verdreven, werd zowat de hele stad verwoest en platgebrand. Alle bomen en planten gingen mee in de vlammen op. Ahmet was een natuurmens, het deed hem pijn aan het hart dat alles dood was. Na zijn legerdienst wijdde hij zich aan een nieuwe heilige opdracht: het zwarte Manisa weer groen maken. Op eigen houtje plantte hij overal jonge bomen aan en zette er een stevige steunpaal naast.

     In de volgende jaren vergroeide hij met de natuur, hij ging er helemaal in op. Hij noemde elke boom zijn kind, droeg er zorg voor, brak er een dode tak uit, haalde er een woekerplant uit, terwijl hij ermee praatte of ertegen prevelde, zich verontschuldigde dat hij hem lastig moest vallen, suste of het een dierbare verwant, een kwetsbare ziel was.

     Hij was groot en slank, fit en gespierd, en had een donkerbruin vel. Hij liet de haren op zijn hoofd en gezicht groeien, ze glansden van de olie. Hij zag eruit als een wildeman. Veel inwoners dachten dat hij uit een oerwoud in Afrika kwam, maar hij sprak gewoon Turks. Vanwege zijn wonderlijk uiterlijk begonnen ze hem hacı te noemen - de pelgrim die van de heilige bedevaart naar Mekka terugkwam, zag er net zo verwilderd uit.

     Midden dertiger jaren liep de film ‘Tarzan the Ape Man’ met Johnny Weissmuller in de grootste bioscoop van Manisa. De stad had voortaan ook haar Tarzan.

     Hij ging met zoveel respect en liefde met de bomen en struiken om dat de burgemeester hem op een gegeven ogenblik voorstelde om in opdracht van de gemeente de bomen aan te planten en het groen te onderhouden. Hij plantte elke boom van het grote Ulu Park en waarschuwde de kinderen die ertussen speelden met opgeheven vinger: ‘Niet aan de bomen komen! Als je ook maar een blad krenkt, dan snij ik je in stukjes!’

     Elk jaar snoeide hij de bomen, terwijl de kinderen er op een veilige afstand naar stonden te kijken. Als hij bijna klaar was met het werk, draaide hij zich op zijn ladder naar hen om: ‘Wie heeft er hier geen papa?’ Na enig aarzelen stak er altijd wel een jongetje of meisje de vinger op, maar ook niet te hoog.

     'Jij daar, jij hebt geen papa?’      

     
‘Nee, mijnheer Tarzan.’


     ‘Goed, dan mag jij straks het hout komen halen.’

      Op het lentefeest Hıdırellez ging ik met de klas bij hem op bezoek. Hij woonde in een armelijk stenen huisje op een vlak stuk tegen de helling van de Spilberg. Er stond een tafeltje, meer niet, hij sliep onder een krant op de blote grond. Hij had ook een zonneklok en legde uit hoe ze werkte.

     Hij leefde onvoorstelbaar sober, hij had niets en had niets nodig, alleen de overtuiging om op een gezonde, natuurlijke manier te leven. Hij was arm maar vroeg nooit iets, gaf weg wat hij had, dacht nooit aan zichzelf, hechtte geen waarde aan geld of positie. Het loon dat hij in dienst van de gemeente verdiende, gaf hij aan mensen die nog armer waren.

     In de zomer liep hij op blote voeten en droeg een kort zwart broekje, in de winter had hij dunne plastic gymschoenen aan en smeerde zijn lijf in met een lekker geurende olie die hij zelf maakte van aftreksels van planten. Zomer en winter nam hij een stortbad met koud water. Hij leefde met de natuur, was hard voor zichzelf, tijdens de ramadan vastte hij zelfs nog mee, en wilde op die manier een voorbeeld stellen voor jongeren.

     Ik speelde vaak met mijn buurmeisje Nebahad bij de rivier en op de begraafplaats. Tegenover ons huis stond een grote, mooie plataan. Ik zat vaker in de boom dan eronder. Nu waren we er allebei ingeklommen.

     ‘Kom jij op mijn tak,’ zei ik.


     ‘Nee, kom jij maar op deze,’ zei Nebahad.


     Ik kroop naar haar tak, de tak brak af, ik duikelde naar beneden, lag languit op de grond. Nebahad volgde en kwam pardoes bovenop me terecht. De slag sneed me de adem af, maar ik hield er geen buil of schram aan over.

     ‘Tarzan, kom! Tarzan, kom kijken!’ joelden de andere kinderen. Een tak uit de boom gescheurd, dan zwaaide er wat, hij zou ons zeker in stukjes hakken.

Nebahad en ik sleurden de tak naar de begraafplaats, waar we hem achter struiken wegstopten, liepen naar huis en durfden van de hele dag niet meer buiten te komen.

      Niemand kreeg echt hoogte van hem. Alle kinderen, en heel wat volwassenen, waren bang of op zijn minst op hun hoede voor Tarzan, en veel moeders lieten dreigend zijn naam vallen als ze hun balorige kinderen tot de orde wilden roepen. Maar tegelijk trok hij hen aan, omdat hij zo’n nuttig werk deed, zo onbaatzuchtig was en wel eens dreigde maar nooit iemand kwaad deed. Geregeld riep een vrouw hem terug als hij voorbij liep, bood hem thee of koffie aan, gaf hem wat eten mee of bracht het na, naar zijn huisje.

     Voor ons huis zat er een deksel van de waterleiding in de grond. Tarzan had er een sleutel van. In de zomer kwam hij de jonge bomen en planten elke week water geven. Hij had altijd zes, zeven helpers bij zich. Mama riep hem dan wel eens, of hij soms trek had in een kopje koffie. Dan ging hij op een krukje bij de voordeur zitten en dronk zijn koffie op, hij ging nooit ergens binnen.

     Hij was een rare vogel, zonderling maar ongevaarlijk, onberekenbaar en onvoorspelbaar. Hij kon overal ergens opduiken, uit het niets, nu een paar minuten hier, dan een paar minuten daar, en verdween dan weer even plotseling, of hij in rook opging. In enkele minuten tijd klom hij van op de begane grond naar zijn hut tegen de berg, terwijl andere mensen er bijna een halfuur over deden.

     Elke dag om 12 uur ’s middags stond hij boven bij zijn huisje en dan dreunde er een zware slag over de stad. In het begin dachten de inwoners dat hij een bom gooide of liet ontploffen, maar later bleek dat hij een kanon afvuurde, een klein kanon, waarschijnlijk een overblijfsel uit zijn militaire periode, dat hij elke dag op klokslag 12 uur afschoot. Sommige mensen noemden hem om die reden ook Topçu Hacı, de ‘kanonnier-pelgrim’. Tijdens de ramadan schoot hij het ’s morgens en ’s avonds af om aan te geven wanneer ze aan tafel mochten. Hij sloeg niet één keer over, we konden er de klok op gelijk zetten. Soms liep hij een paar minuten voor 12 beneden nog rond en dacht je: hé, moest jij niet al boven zijn? En dan was hij opeens spoorloos verdwenen en klonk om 12 uur toch weer de slag. Het was een wonder hoe hij het deed. De kinderen riepen hem wel eens na: ‘Hé, Man van de Bom,’ en bleven dan op een afstand toekijken of liepen hard weg, maar dan hield hij gewoon halt, keek hen berispend aan en zei: ‘Dat mag je niet zeggen, je moet Tarzan zeggen.’

     Met een nooit aflatende toewijding en volharding bleef hij zich aan zijn levensopdracht wijden. Over de jaren heen had hij van Manisa weer de groene stad gemaakt die ze was voor ze in brand werd gezet.

     Op een natuurlijke manier, door wie hij was en wat hij deed, dwong hij nieuwsgierigheid en respect af. Waar hij ook opdook of voorbijkwam, bleven de mensen staan, versnelden hun pas of kwamen terug, vrouwen bogen zich naar hem, mannen namen hun hoed voor hem af. Toch drong hij zich nergens op, hij was een gesloten man en hield zich afzijdig. Tegelijk stond hij ook open voor wat nieuw was. Hij las veel en zat dikwijls in de bioscoop, als werknemer van de gemeente mocht hij overal gratis binnen.

     Tarzan, de eenvoudige man met het grote hart, stelde zich helemaal in dienst van de natuur en van de inwoners van Manisa. Hij werd een levende legende, een heilige man, die zijn hele leven trouw bleef aan zichzelf en zijn wensdroom, een lichtend voorbeeld voor jong en oud, voor de stad en het hele land.



22 Druiven


Van oudsher werden in de zomer de druiven geoogst. In de druivenvelden groeide vooral de witte pitloze vlezige Sultaniye üzüm, de Sultaniyedruif, voor rozijnen, die goed gedijt in het zonnige klimaat en de zandige bodem. De druiven werden ingedroogd omdat rozijnen veel langer goed bleven. Papa teelde ook de wit-rozige Misket, een ronde zoete druif die heel fris smaakte, voor als er bezoek kwam, en de dikke ronde geelgroene Razakıdruif, die we aan tafel en uit de hand aten.

     Het werk werd gedaan door de Yörük, families die uit het oosten kwamen om de oogst te verwerken. Papa besprak het werk en het loon met de ploegleider. Voor onze wijngaarden, 16 dunam groot, kwam het op 1 lira 25 kuruş per werkman per dag.

     De jongere mannen kiepten de druiven in grote bakken aan de rand van het veld. Aan het zomerhuis legden ze drie vloeren aan van klei en stro die ze mooi glad streken. Het waren vlakken van wel twintig meter lang, want de druiven van de buren moesten er ook op.

     Iets verder stonden wel twintig grote ijzeren tonnen, met een grote zeef in. De mannen deden vanouds potas in het water en kieperden er vervolgens de trossen in. Voor potas losten ze de assen van verbrand hout, meestal eik of beuk, in water op, en dampten het dan in. Terwijl de druiven erin weekten, kwamen er rimpeltjes en scheurtjes in de schil. De druif en rozijn droogde dan sneller en behield zijn lichte kleur ook, anders werd ze grauw. Met zijn tweeën haalden ze de zeef eruit, vingen het water op en schudden de trossen op de vloer. Ze lieten ze weer rusten en drogen. Als de wind goed stond, gooiden de Yörük de rozijnen met een grote hark met vijf tanden op een hoop, lieten ze nog wat drogen en schepten ze dan in zakken.

      De andere druiven werden gesneden en geperst. We moesten van papa elke dag een koffiekannetje druivensap drinken. Het was mierzoet, maar gezond, vond hij, er zaten veel vitamines in. Mama bood het thuis soms aan als er bezoek was.

     Voor pekmez pletten ze de druiven, kookten de vruchtenmoes twee keer op met een verdikkingsmiddel en zeefden het. Mama had een grote kruik vol pekmez, die ze bij het ontbijt met tahin, een pasta van sesamzaad, op het brood smeerde. Van het druivensap liet ze ook wat met zetmeel inkoken. Als ze dat kooksel liet afkoelen en drogen, werd het een platte stijve druivenkoek, pestil, die ze in repen sneed.

     Abrikozen die ze droogde, sneed ze eerst doormidden om de pit eruit te halen, en legde ze dan op de grond in de zon. Hierna werden ze in water afgespoeld en bewaard. Ze werden droog gegeten of in stroop gelegd en zo opgelepeld. De vijgen waren in augustus en september rijp, de zoete geur zweefde tussen de bomen, het was moeilijk om ervan af te blijven. Voor de granaatappels moesten we geduld hebben, de bomen droegen pas na zes jaar vruchten, die in september afrijpten. In afwachting bloeiden ze wel prachtig, de hele zomer door, met vuurrode bloemen.

     Rond het huis groeiden ook een paar druivelaars, die papa leegplukte voor dagelijks gebruik. De moerbeiboom in de tuin leverde zijn vruchten buiten het seizoen, in september. Ik kroop dan in de boom, schudde met de takken terwijl mama en de zussen de lange paarszwarte bessen in een laken opvingen. We snoepten ervan tot onze mond paars zag. Mama maakte er ook jam van, en moerbeikoek, en ze bewaarde gezoet moerbeisap in een kom om over dunne honinggele flensjes te gieten. Hierna was het alleen nog aan de olijven die eind september met stokken uit de bomen werden geranseld.


 

21 Piknik

 

Het volk hield zijn feestdagen levendig. Het lentefeest, op de laatste maandag van maart, werd met een grote piknik gevierd. Het weer was dan al rustig en zacht, en we hoefden niet naar school. Net als in andere families maakten mama en de zussen ’s morgens eten klaar en dan namen we de manden met alles wat we nodig hadden een eindje de Spilberg op. Meisjes en jonge vrouwen hadden de mooie kleren aan die mama of een naaister hun had aangepast, ik droeg een nieuw eenvoudig zomers jurkje.

     Anderhalve maand later volgde het godsdienstige lentefeest, Hıdırellez, dat volgens de nieuwe kalender op 5 mei begon en op 6 mei eindigde, de dag dat de profeten Hızır and Ilyas elkaar zouden hebben ontmoet. Hızır werd onsterfelijk nadat hij het water des levens had gedronken. Sindsdien wandelde hij rond op aarde, vooral in de lente, en hielp de mensen bij hun moeilijkheden.

     De leerlingen maakten een uitstap, hielden een picknick in de bergen en gingen op bezoek bij Tarzan.

     In de eerste mooie lenteweken, vanaf midden april, was het ’s middags al lekker warm. Het was de inzet van de akmecit, een lang seizoen van zonnige zondagen met heerlijke picknicks.

     Vroeg in de voormiddag kwamen families uit de buurt voorbij het huis, op weg naar de rivier en de berg, om zich een mooi plekje te zoeken in de koelte van het water en de schaduw van de bomen. Ze namen zowat alles mee wat denkbaar en draagbaar was, een grote kelim of deken, de mangal, de samowar of waterkoker, houtskool, brood, jams, thee, kip, groenten, vruchten, speelgoed, zelfs een trommel en handgrammofoon.

     Mama en de oudere zussen waren ook al vroeg in de weer. Ze versneden de kip, want we aten altijd kip, mama hield er achttien in het hok achteraan in de tuin. Vlees kocht ze maar af en toe bij de slager om er köfte, ballen van kruidig gehakt, van te rollen. Ze dopten rode linzen en maakten knoedels voor in de kesme çorbası, linzensoep, kookten eieren, rijst, stampten labbonen tot moes, maakten pilav met boter, börek, bamya, de jonge vruchten van de okraplant.

     Een tijdje later, tegen de middag, vertrokken we. Zes zondagen achter elkaar zochten we de frisse koelte van bomen op, de eerste drie zondagen aan de çaybaşı, de oever van de rivier achter het joodse ziekenhuis, de volgende drie op weg naar de Ağlayan Kaya, de Wenende Rots, hoger in de heuvels. Gepakt en gezakt als we waren, was het bijna een halfuur lopen.

     Mama en de zussen maakten alles klaar en zetten thee met de samowar Papa zorgde voor de mangal, waarop hij de boutjes en borsten roosterde. Hij maakte het vuur aan met olijfpitten die hij met de zak in de olijfoliefabriek kocht en deed er dan houtskool op die hij bij de bakker haalde.

     We prikten en peuzelden, deelden met de buren, gaven hier iets van en proefden daar wat van. We dronken thee en soms ook ayran, de gezouten yoghurt waar ik niets van moest hebben. We luisterden naar dorpse vertelsels, wijze en grappige verhalen. De kinderen zongen, dansten, speelden, sprongen touwtje en balden.

     Het was zalig in de schaduw maar al behoorlijk warm tussen de rotsen, waar af en toe een hagedis wegschoot, een slang wegkroop. We bleven tot een stuk in de namiddag, zodat we voor het donker thuis waren. Als de duisternis inviel, koelde de lucht af en was de straat geen plaats meer voor een vrouw of een kind.



20 Markt


Twee keer per week klosten bij het krieken van de dag enkele boeren met beladen ossenkarren naar de markt, op maandag vlakbij in Karaköy en op donderdag in het hart van de stad.

     Op maandagochtend kwam er even later ook een oud vrouwtje voorbij. Ze kwam helemaal van Bosch Köy, met de ezel waaraan twee manden hingen, terwijl ze zelf nog een mandje en een netje droeg, met de kleine oogst van de dag aan aardappelen, uien en andere tuinvruchten. Ze had opvallend lange armen en korte benen, zodat geregeld iemand zich hardop afvroeg of ze die van bij haar geboorte of van al dat  lopen en sjouwen had.

     Het kleurloze besje keek niet links of rechts, maar klopte altijd aan bij mama, of ze wat boter of iets anders nodig had. Mama zette haar een koffie en kocht wat. Het vrouwtje sprak met een rare tong, zodat we onze lach niet konden houden. Mama keek dan boos over haar schouder, strekte haar nek uit en maakte grote ogen. Ze had ons al gewaarschuwd nog voor het vrouwtje binnen was: ‘En pas op eh! Durf niet te lachen! Vooruit, ga buiten spelen!’

     De donderdagmarkt in de binnenstad lag niet ver van de Muradiye Cami. Mama nam me meestal mee als ze boodschappen ging doen. Na ons bezoek aan de markt wandelden we langs de kleine kruidenwinkels, de stoffenzaken en de bijuteri. Af en toe namen we lekkere köfte mee, of pide.

     Er was een krantenverkoper, die met het dagblad om zijn arm rondliep en het grote nieuws riep, een messenslijper die zijn slijptuig met een riem op zijn schouder meedroeg en de messen op een ronde steen scherpte die hij met een pedaal aandreef, er waren simitverkopers die met een ronde schotel op het hoofd en een driehoekige voet onder hun arm van de ene standplaats naar de andere trokken, en er was een tandentrekker die gouden en zilveren tanden in het gebit plantte.

     Mama gruwde ervan. ‘Het schijnt dat het hier traditie en mode is, dat veel mannen het doen om hun spaargeld veilig te stellen.’

     Papa luisterde toen ze het aan tafel vertelde, maar zei er niets op.

     ‘Ik geloof er niets van,’ ging ze zelf verder, ‘volgens mij zijn het ijdele armoedzaaiers die zich aanstellen, die zich rijker voordoen dan ze zijn. Je moet zien hoe gemaakt ze glimlachen, hoe pronkerig ze hun juwelen laten blikkeren.’

     Niettemin zaten er altijd mannen bij hem te wachten. De tandsmid had er blijkbaar zo’n schik in dat hij op een gegeven ogenblik zelfs enkele gouden tanden in de muil van zijn hond zette. Het bleek een ongelukkige misrekening. De klanten bleven weg en hij kon zijn zaakje opdoeken.



19 Regen en sneeuw


Manisa ligt tegen de voet van de Spilberg, waarvan het rotsgesteente de koude van de winter en de warmte van de zomer opslaat en weer afgeeft. Het regende niet vaak maar als aan het eind van een broeierige zomerdag een onweer losbarstte, ging het verschrikkelijk tekeer en waste de rivier terwijl we erop stonden te kijken.

     Op een dag regende het kikkertjes - het goot en overal kropen er jonge kikkers over de grond. Het sloeg ons met verbazing, we konden onze ogen niet geloven. Ik had een pillendoosje waar ik er een paar in stopte.

     ‘Is dit nu zo’n wonder waarover in gezegende boeken wordt verhaald?’ vroegen mensen zich hardop af.

     Buurman Haydar had veel gestudeerd en gelezen, hij dacht dat ze door een windhoos uit een plas bij de rivier waren opgezogen en honderden meters verderop weer losgelaten.

     In het voorjaar leek het soms of het ooievaars sneeuwde. Ze kwamen als witte vlaggen uit het zuiden aanwapperen, met hun lange nek, wijde vleugels en dunne poten, en streken neer op de daken of in de bomen of op de minaretten, waar ze hun oude nest weer opzochten of er een nieuw bouwden. De mannetjes kwamen vooruit en klepperden opgewonden met hun lange spitse rode snavels als de vrouwtjes enkele dagen later volgden.

     De vrouwen stonden bij elkaar op straat, met de handen op hun buik, riepen naar de kinderen en wezen naar de hemel.

     ‘Als een ooievaar met zijn vleugels slaat, knippert Allah met zijn ogen,’ zei een stem.

     ‘De ooievaar is Zijn vogel, de heilige vogel, want hij vreet slangen, en de slang staat voor de duivel,’ wist een andere.

     ‘Een ooievaar is trouw en dankbaar,’ vertelde weer een andere. ‘Hij zorgt goed voor zijn vader en moeder als ze oud worden, hij brengt ze de hele tijd voedsel aan.’

     In de omgeving van ons zomerhuis in de velden zagen we soms zo’n steltloper over het veld wiegen, op zoek naar regenwormen, sprinkhanen, hagedisjes, muizen, kikkers, zelfs slangen. Roerloos stond hij op een poot in het water te wachten, klapwiekte opeens weg met een kikker in zijn bek, zweefde over de bomen naar de jongen in het nest. Zolang ik hem in het zicht had, sloeg hij zijn brede, zwart-witte vleugels maar een of twee keer uit, meer knipoogde Allah niet naar me.

 

 

18 Jongen


Papa en mama hadden vijf zonen moeten teruggeven, maar de vier dochters die nog volgden, bleken zowel gezond en knap als verstandig. Hoewel we in hetzelfde nest opgroeiden, konden we alleen maar vaststellen dat er gaandeweg naast de overeenkomsten ook verschillen, uitgesproken verschillen, waren.

     Nefise, de oudste, was moederlijk en inschikkelijk, behulpzaam en vrijgevig, maar durfde al eens iets laten slingeren, tot groot ongenoegen van mama die dan mopperde dat ze haar zo toch niet opvoedde. Habibe had de oogopslag en bleke huid van een Amerikaans kindsterretje, maar die schoonheid droeg ze niet vanbinnen. Haar diepe aard had twee helften, ze was volgzaam, plichtsbewust en toegewijd, maar ook leugenachtig en hebberig en daar nog bazig bovenop. Reyhan was doof en stom en de enige van wie de huid iets donkerder was, zoals papa. Ze was vlug van begrip en grappig, innemend en ontwapenend, maar ook eigenzinnig en beslist. Volgens mama had ik van alles het ene en tegelijk het tegendeel in me. Ik was speels en ernstig, rustig en heftig, meegaand en koppig, lief en scherp. Ik leefde met mijn hart en mijn hoofd, dacht bij alles na, zei wat ik dacht, en deed wat ik vond dat ik moest doen, ook als dat niet was wat van me werd verwacht.

     Tijdens een vrouwenkransje ving ik van mama op dat ze het toch een beetje jammer vond dat ze vijf jongens had gehad en alleen maar vier meisjes had overgehouden. ‘Oja, gezonde meisjes, goede meisjes, Allah zij geprezen, dat niemand uit mijn woorden opmaakt dat ik niet dankbaar zou zijn, in geen geval, het is zoals Allah het wil en het is goed, maar één jongetje was toch mooi geweest.’

     Het raakte me, op de een of andere manier was ik me heel erg bewust van haar stille, diepe verlangen. Mama kon soms kortaf en kribbig zijn en ik dacht dat ik de sleutel had om haar gelukkig te maken. Ik wilde het zoontje zijn dat er niet was en nam elke gelegenheid te baat om het gemis in te vullen. Ik werd een halve jongen, een kwajongen. Ik speelde met jongens, klauterde in bomen. Ik knikkerde, kleurde mijn knikkers zelf, in groen, blauw, geel en rood, hurkte rond het kuiltje in de grond en won een hele zak vol van de jongens. Mama vond het maar niks. ‘Kleine vlerk die je bent,’ zei ze. ‘Weg met die knikkers, gedraag je als een fatsoenlijk meisje.’

     Buiten, onder de trap, zat er een holte waarin ik de knikkers verstopte. Nefise kwam er toevallig op uit en sloeg al mijn kleiknikkers een na een stuk. Ik was helemaal van streek, ik wreef mijn ogen rood. ‘Net goed,’ zei mama, ‘dat is toch niks voor meisjes, ga touwtjespringen of schommelen of met de bal spelen.’

     De schommel hing in de tuin, met twee touwen over een tak van de boom. We vouwden een kleine kelim samen en legden hem als een kussentje onder onze billen. Ik veronderstel dat ik me nog verongelijkt voelde om het onrecht dat me was aangedaan, want ik ging zo heftig tekeer dat ik eraf duikelde. Nog drie dagen bleef ik met mijn been trekken.

     Op een dag hoorde ik van een buurvrouw op bezoek dat een meisje in een jongen verandert als het onder een regenboog doorloopt. Had ik dat goed gehoord? Het bleef door mijn hoofd spoken. Toen er zich anderhalve maand later na een fiks onweer een grote gordel in prachtige kleuren tegen de hemel aftekende, holde ik de straat op, de straat uit, een andere straat in en door, weer een straat in en uit en in, tot ik aan de rand van de stad kwam en de regenboog nog altijd even ver weg stond.

 

 

17 Joden

 

In het derde leerjaar ging ik over naar juffrouw Sacide Eğitmen. In de klas kwam ik naast Sara te zitten. Sara was joods, mager en ongedurig, en leerde niet zo goed;

     ‘Safiye,’ zei juffrouw Sacide op een dag, ‘help jij haar maar een beetje verder.’

     Ik ontfermde me over mijn vriendinnetje, dat geregeld mee naar huis kwam. Af en toe wandelde ik ook mee naar haar huis, maar ik ging niet mee naar binnen, ook niet in de winter, als er sneeuw lag en het koud was. Mama had het mij op het hart gedrukt: ‘Je mag mee tot aan de deur, maar je gaat in geen geval mee binnen! Nu niet, en nooit!’

     ‘Ik blijf hier buiten wel wachten.’

     ‘Waarom kom je niet even mee binnen? Ik kom toch ook bij jou binnen?’

     ‘Neenee, ik blijf hier.’


     ‘Waarom? Wat scheelt er dan?’


     Even later stak de mama van Sara haar hoofd buiten. ‘Safiye, kom dan toch aan deze kant van de deur staan.’


     ‘Nee, ik heb het niet koud.’


     Ik was doodsbenauwd maar durfde het niet op te biechten, het was een geheim dat als een dikke klomp ijs zwaar en koud op mijn hart lag.


Sultan Hanım, de vrouw van de muezzin, zat af en toe in het dameskransje en liep tussendoor aan, en dan onderhield mama zich met haar in de woonkamer of in de tuin, met thee of koffie.

     Sultan Hanım had het vaak over wat Allah voorhoudt en Mohammed bedoelt en vertelde graag over hoe het leven in Manisa vroeger was. Ik was dan nooit ver uit de buurt, ik hield van de verhalen en van de stemmen die ze vertelden. Het leek alsof Sultan Hanım dat wist. Hoewel ze zich de hele tijd tot mama richtte, praatte ze langzamer en luider en in een andere toon, die een kind makkelijker kon begrijpen. Ze vertelde ook wat over de joden.

     De jodenwijk die achter de lagere school lag, was een van de vele oude gemeenschappen die zich in de grote steden in het westen hadden gevormd. De joden die er woonden, waren verre afstammelingen van Sefardische voorvaders die eeuwen geleden van het Iberisch Schiereiland waren weggetrokken. Toen de christenen de Moren hadden verdreven, verplichtten ze de joden zich te bekeren of het land te verlaten. Honderdduizenden joden verspreidden zich over de Europese landen en het Ottomaanse rijk en weken zelfs uit naar het Egeïsche kustgebied. Ze vormden een gesloten gezindte, hielden zich afzijdig en vielen weinig op. Het waren de mannen die op straat kwamen, werkten en boodschappen deden, de vrouwen bleven in huis en maakten in het weekend samen een wandeling. Ze waren heel modern gekleed, in jurken met korte mouwen, en maakten hun gezicht op. Hun kinderen gingen op tussen alle kinderen op straat en op school. Hoewel ze vreedzaam en zonder problemen samenleefden, bleven de Turken op hun hoede en meden ze de joden. Mama had ons verteld wat alle ouders hun kinderen vertelden, het gruwelijke verhaal over joden die een ton in huis of in de tuin hadden staan. Als je mee binnen ging, pakten ze je vast en stopten je erin. Aan de binnenkant zaten er allemaal venijnige spijkertjes die diep in je vel drongen. Je bloedde dood en de joden dronken het bloed op.


Op een dag was Sara niet op school. De volgende dag kwam ze weer niet, en de dag daarop ook niet. Ze had juf Sacide of mij niets laten weten, misschien was ze wel ziek. ‘Safiye, wil jij vanmiddag eens langslopen om te kijken of er wat scheelt?’ vroeg de juf.

     Ik liep de wijk in tot bij het huis van Sara, klopte aan, en nog eens, riep, maar het bleef stil, het leek wel of er niemand thuis was. De luiken waren dicht, de deur zat op slot. Toen ik om me heen keek, stelde ik vast dat ook de andere huizen allemaal stil en verlaten waren.

     Ik vertelde de juf en mama wat ik had gezien en niet gezien. Het was een raadsel. Blijkbaar waren alle joodse families de vorige nacht plots vertrokken, niemand wist waarom of waar naartoe, niemand kon zeggen wat er was gebeurd.

     Toen Sultan Hanım zich de volgende keer weer bij de vrouwen voegde, bracht mama het ter sprake. 

     ‘Ze zijn op de vlucht,’ antwoordde Sultan Hanım, ‘bang voor de Duitsers en hun bondgenoten die deze kant opkomen. Het gaat zo met de joden, het is hun lot. Ze voelen zich nergens thuis, zijn altijd onderweg, alsof ze er altijd op bedacht zijn dat ze elk ogenblik weg moeten. Ze kopen ook nooit een huis, maar huren altijd, alsof ze weten dat ze er maar tijdelijk zullen blijven. Ze hebben onrust in hun bloed, omdat ze een heel oud en lastig verhaal met zich meedragen.' 

     Ik krulde mijn tenen op in mijn schoenen, maar het verhaal kwam niet. Sultan Hanım kende het niet, of wilde het niet vertellen.

 


16 Misverstand


Op een koude winterse dag stonden we met zijn allen tijdens de middag-pauze rond de kachel in de klas onze handen en knieën te warmen. De jongen naast me draaide zich opeens naar me en mompelde iets wat ik verstond als ‘Tietjes als rozen’.

     ‘Hè?’ Ik snapte niet wat hij bedoelde, maar het meisje dat naast me stond, legde het op fluistertoon uit. Ik was zo onthutst en verontwaardigd dat ik me naar de eerste lessenaar draaide en de inktpot pakte. De jongen zag het gevaar komen en zette het op een lopen. Ik ging hem achterna, gooide, miste maar trof de grote spiegel tegen de muur, die in wel honderd stukken sprong.

     Juf Sacide nam me apart. ‘Safiye, dit kan niet, dat begrijp je ook wel. Ik wil dit met je mama bespreken. Zeg jij haar dat ze morgen even naar school komt. Goed?’

     ‘Ja, juffrouw.’


     Ik zei niks.


     ‘Safiye, ik heb je mama vandaag niet gezien. Heb je het haar gezegd?’

     ‘Ja, juffrouw, maar ze heeft geen tijd, zegt ze.’


     De directeur stuurde Receb Kalfa, de huismeester, om mama op de hoogte te brengen van wat ik mispeuterd had. Receb Kalfa kwam en ging, en mama wist me in de slaapkamer te vinden. ‘Wat is dat nu? Waarom heb je die spiegel gebroken? Waarom heb je met die inktpot gegooid?’

     Ik zweeg, want ik durfde het lelijke woord niet in de mond te nemen.

     De directeur wilde het er niet bij laten: ‘Iemand is verantwoordelijk, iemand moet de brokken betalen.’
 Hij nodigde alle partijen uit voor overleg, mama met mij en de papa met de jongen.

     Zwijgend stonden we op een rij bij zijn bureau.
 

     ‘Goed, jongen, vertel jij eens wat er is gebeurd.’


     ‘Jij dan, meisje, leg het ons eens uit.’


     De jongen hield zijn mond en ik durfde niets te zeggen.


     ‘Tja, het spijt me, maar dan zult u de spiegel moeten betalen, mevrouw.’

     ‘Maar mijnheer,' zei mama, 'ik vind het erg wat er is gebeurd en mijn dochter had zoiets nooit mogen doen, maar dat geld heb ik niet, ik ben een arme weduwe met drie kleine kinderen.’

     Het bleef in de klas hangen. Juffrouw Sacide kon het blijkbaar niet loslaten. Ze had met ons te doen. De volgende dag riep ze me mee. ‘Safiye, waarom zeg je niets?’ vroeg ze. ‘Wat scheelt er? Wat is er toch maar gebeurd?’

     Ik neem aan dat het door haar rustige aanpak en begripvolle toon kwam dat ik zwichtte en het relaas van het voorval deed. Juf Sacide legde haar hand geruststellend op mijn schouder en bracht meteen verslag uit bij de directeur, die de papa van de jongen opnieuw uitnodigde.

     De jongen gaf toe.

     ‘Oei, mijnheer, dat verandert de zaak natuurlijk,’ zei zijn vader. ‘ik vind het ongehoord van mijn zoon, ik zal u de spiegel vergoeden.’

     Er zouden jaren overheen gaan voor het me duidelijk werd dat ‘tietjes als rozen’ met een kromme tong klinkt als ‘je zou niet mogen lachen’. Het had er opeens alles van dat ik de jongen oneer had aangedaan - en dat de jongen mij indertijd niet had willen verklikken.



15 De kelder

 

Op een dag bracht een klasgenootje van goeden huize een nieuwe, mooie bal mee. Tijdens de pauze liepen we er op de speelplaats mee te ballen. Wie de bal had, gooide hem hoog in de lucht en dan sprongen we met zijn allen om hem te pakken. Ik was al niet groot, niet breed en niet sterk, ik kwam er met mijn armpjes niet bovenuit en werd er behoorlijk chagrijnig van. Op een gegeven ogenblik rukte ik de bal uit de handen van een meisje, maar werd prompt uit het spel gezet. Terwijl ik tegen de muur stond te mokken, zon ik op wraak en schoot me iets te binnen. Ik holde naar de klas en stopte mijn pennendoos in de zak van mijn schort.

     Geduldig wachtte ik af, en toen de bal hoog in de lucht ging, zag ik mijn kans schoon, sprong en duwde wat ik kon, graaide naar de bal en rende ermee naar de toiletten. Achter de deur haalde ik het scheermes boven waarmee ik het potlood aanscherpte, kerfde de bal in stukken en gooide ze in het gat.

     Het meisje huilde, haar vriendinnetjes deden hun beklag en meester Sıtkı greep in. Voor mijn straf moest ik naar de kelder, het berghok in. ‘Ga daar maar een tijdje zitten om je zonden te overdenken,’ zei hij streng. ‘En als je daarmee klaar bent, maar pas als je daarmee klaar bent, kun je terugkomen! Vooruit, en vlug een beetje.’

     Het berghok was heel rommelig en duister, maar het ergste was dat er ook het geraamte voor de biologieles stond. Ik bracht er een heel lange akelige middag door.

     In mijn lagereschooltijd moest ik geregeld de kelder in, en telkens stond ik duizend angsten uit met dat skelet. Ten slotte sprak ik Receb Kalfa aan, een oudere man die er als schoolbewaarder en klusjesman werkte. Of hij het geraamte een beetje verder in de hoek van het hok wilde zetten. Dan zou ik hem een trosje druiven of een zakje rozijnen meebrengen.

     Receb Kalfa was een goed man, en hij was tuk op rozijnen.



14 Buikgevoel


Hoewel ik lang mager en bleek bleef, was ik een druk en vrolijk kind. Ik speelde met andere kinderen, vriendjes en vriendinnetjes uit de buurt en van de school, altijd buiten, ook in de winter, als het koud was aan de voet van de berg.

     Een buurjongen had een kleine rubberbal die de gekste sprongen maakte en alle kanten op stuiterde en op een gegeven ogenblik nergens meer te vinden was. De tranen bengelden aan zijn kin. ‘Het is jouw schuld!’ riep hij naar me.


     ‘Ik? Hoe ik?’


     ’Ja, jij hebt hem het laatst in je handen gehad.’


     Volgens mij klopte het niet, maar ik wist dat zus Habibe haar zakgeld onder een doek op de vensterbank bewaarde en haalde er 25 kuruş weg, die ik aan de jongen gaf.
 ‘Hier,’ zei ik, ‘en zwijg nu.’

     Niemand hoefde het te weten, maar de mama van het jongetje vroeg zich allicht af waar het balletje naartoe was en hoe haar zoontje aan het geld kwam, en dan was het gauw bij mama.

     ‘Safiye,‘ vroeg ze, ‘heb jij die jongen geld gegeven?’


     ‘Ik? Hoezo?’


     Ik probeerde onschuldiger te kijken dan ik was. Ik was ook nog iets te jong om te weten dat zus Habibe al heel goed op de kleintjes lette. ‘Ja, mama, ik mis 25 kuruş!’
 zei ze.

     ‘Safiye, kom eens hier. Heb jij geld van zus weggenomen?‘ Ze keek me heel diep aan, tot helemaal onderaan in mijn hartje.

     ‘Ik weet het niet, ik denk het niet.’

     'Laat me eens luisteren of je niet liegt.’ Mama legde haar oor tegen mijn buik, keek naar me op en schudde het hoofd. ‘Je liegt, kind, ik hoor het.’

     Ik snapte er niets van. Hoe kon ze dat nu weten? Ik was helemaal de kluts kwijt.

     In en rond de stad groeiden er veel pijnbomen, parasoldennen, met een korte stam, een wijde kroon, een bast met groeven en schubben en puntige naalden. Als we de bolle kegels in een vuurtje gooiden, sprongen ze open en konden we de zaadjes er zo uithalen. Ik vond de pitjes lekker, zowel rauw als geroosterd, maar helemaal verzot was ik op iğde, de zilverbes, de zoete vrucht van de olijfwilg die tot pulver wordt vermalen. Telkens als ik er stiekem van had gesnoept, wist mama me te vinden. ‘Kom jij eens hier. Heb je weer iğde gesnoept?’


     ‘Ik? Nee hoor, ik niet.’


     ‘Zeg je de waarheid? Laat me eens aan je buik luisteren.’


     Mama hield haar oor tegen mijn buikje en wist het - altijd.

     Ik vertelde aan al mijn vriendjes en vriendinnetjes dat mijn mama aan mijn buik hoorde of ik had gelogen en wat ik had gegeten. Ik vertelde niet, want mama had het mij toen ook nog niet verteld, dat mijn gretige handjes wat wit poeder aan de rand van de zak van mijn rok of jasje achterlieten.



13 Binnas Nine

 

Vlakbij in de buurt woonde een oud vrouwtje, Binnas Nine. Ze was weduwe en leefde alleen, ze had haar echtgenoot en andere nauwe verwanten overleefd en haar familie had haar vergeten.

     Binnas Nine moest al voorbij de honderd zijn, in ieder geval zo oud dat ze met een voet al in haar volgende leven stond - ze had nog maar vier tanden. Gelaten wachtte ze tot de Enige in de Hoge haar naar Zijn eeuwig hemelrijk zou roepen, tot ze zich hardop begon af te vragen of Hij haar niet uit het oog was verloren. Ook dat had Hij blijkbaar gehoord. Binnas Nine werd ziek en lag aan het bed gekluisterd.

     Ze was helemaal alleen, zonder familie of kinderen. De hele dag waakte mama of een buurvrouw bij haar sterfbed. Om de beurten wasten ze haar een beetje, verschoonden het bed en haar kleren. Ze brandden een lampje en lazen uit het Heilige Boek, brachten voedsel en drank naar haar mond. Mama wees ons op het gebruik, het reddende gebaar, om de zieltogende in de laatste dagen nu en dan iets te laten drinken. ‘Voor de eeuwige slaap intreedt, krijgt de zieke een grote dorst. De duivel verschijnt dan aan het voeteneinde van het bed en probeert de stervende in ruil voor wat water van zijn geloof af te brengen.’

     Uiteindelijk slikte Binnas Nine niet meer. Het liep onherroepelijk op zijn eind, het was een kwestie van een paar dagen of slechts enkele uren, niemand wist wanneer het Hem zou schikken. ’s Avonds en gaandeweg ook ’s nachts liepen mama en ik nu en dan aan om te zien hoe ze het stelde, of ze nog in leven was. Mijn zussen waren bang en mama stuurde mij met de petroleumlamp.

     ‘Nee, ze leeft nog,’ zei ik toen ik terugkwam.

     Wat later ging ik nog eens kijken, drenkte een watje in water en depte haar lippen. Het vrouwtje snakte eens en bleef stil. Ik duwde haar oogleden dicht, nam de witte sjaal van haar hoofd, vouwde hem tot een smalle band en bond hem strak om haar hoofd en kin om haar mond dicht te houden, en ging terug.

     ‘Mama, ze is dood, Binnas Nine is dood.’

     Mama schrok op, haastte zich naar de buurvrouw, vond haar zoals ze daar lag.

     Toen ze weer thuiskwam, riep ze me. ‘Wie heeft de doek om haar hoofd gebonden?’

     ‘Ik.’


     ‘Hoe? Jij?’


     ‘Ja, ik. Waarom? Zo moeilijk is dat toch niet?’

     Ik had mama en de vrouwen erover horen vertellen.  Ik gaf mijn ogen de kost en knoopte alles goed in mijn oren.



12 Duivels

 

Een enkele keer maakte de vrouw des huizes koffie, en dan keken ze koffiedik, waar ze van zeiden dat ze er niet echt maar toch een beetje in geloofden, de ene wat meer dan de andere, al gaven ze dat niet zo gauw toe, volgens de oude waarheid die tegelijk twee kanten uit kan: ‘Geloof niet in de voorspelling van de toekomst, maar blijf er ook niet zonder.’

     Ze vertelden oude en nieuwe verhalen, maakten elkaar bang met duivels en geesten, wisselden formules en rituelen uit om de demonen te bezweren, en hielden ze zo in leven. 

     Al van toen ik nog klein was, liep ik voortdurend in en uit, hing achteloos rond of ik iets zocht en verdween weer, maar nam telkens wat mee van wat ik hoorde, en bewaarde het in een kistje in mijn hoofd. Dat ik niet naar de maan en de sterren mocht spugen. Dat ik bij volle maan, in de veertiende nacht van de maanmaand, niet mocht naaien of breien. Dat ik op vrijdag geen stof uit huis mocht gooien. Dat ik bij het eten van brood geen kruimels op de grond mocht laten vallen. Er was heel veel wat niet mocht om het kwaad niet aan te trekken, en het leek wel of er elke maand nog wat bijkwam.

     Als de vrouwen door het donker naar huis liepen en de angst hen om het hart sloeg, prevelden ze vlug de spreuk die de kwade geest afschrikt: ‘Uit de weg heren, blinden als wij zouden op jullie kunnen trappen!’

     Op een mooie namiddag zat ik in de tuin te spelen en zei de bezwering die ik had opgevangen zomaar voor me op, zonder dat ik er erg in had.

     Papa, die al even in de tuin bezig was, had het gehoord. ‘Wat zei je daar, meisje?’


     Ik herhaalde het versje nog eens.


     ‘Van wie heb je dat? Wie heeft je dat geleerd?’


     ‘Van Sultan Hanım.’


     Met een zucht draaide hij zich om en liep met een kwaaie kop naar binnen, recht naar mama: ‘Heb ik je niet gezegd dat je de kinderen van deze onzin weg moet houden? Bij Allah, al die kletspraat, al dat bijgeloof!’

     Hij geloofde niet in spoken en dwaasheden en kon er zich vreselijk over opwinden. Als mama of een buurvrouw het over de duivel had, sloeg hij het bars af. ‘Mijn vader had gelijk,’ gromde hij dan, ‘de mens is zelf de grootste duivel.’



11 Vrouwen


Papa werkte overdag, ’s avonds kwamen er niet vaak mannen in huis. In de lauwe weken voor en na de zomer zat hij soms met de stationschef of een buurman in de tuin. De mannen zwegen lang en vertelden moeilijke verhalen. Ze keken meestal somber, dachten lang na en spraken met geraspte stemmen die alleen zachter werden als ze zuchtten.

     De buurvrouwen kwamen bijna elke dag samen, in de voormiddag al, een of anderhalf uur, beurtelings in een ander huis. Soms zochten ze elkaar ook ’s avonds op, na het eten. Op de korte dagen droegen ze de lantaarn of de petroleumlamp mee. De kinderen mochten ook mee.

     Ik hield van de gezellige drukte als de vrouwen bij elkaar zaten. Het was zoveel spannender, omdat ze nooit zwegen, maar fluisterden en giechelden en uitvielen en huilden als ze het over hun belevenissen, teleurstellingen en verzuchtingen hadden. Ze klaagden veel, omdat het destijds en ginds beter was, omdat ze armer waren dan andere vrouwen, en schoven dichter bij elkaar voor onderwerpen waarover ze nooit uitgepraat raakten: vroeger en later, geluk en tegenslag, verwanten en kinderen, buren en dorpelingen.

     ‘Ach vrouw,’ zei mama soms, ‘je hart is je kostbaarste kind. Maak het toch niet wakker als het slaapt.’


     Ook de mannen gingen geregeld over de lippen, al wisten de vrouwen in de regel wat ze konden zeggen en moesten zwijgen. Aangezien ze veelal dezelfde levens leidden, hadden ze aan een half woord genoeg om de situatie te begrijpen.

     Het was tijdens deze onderonsjes, waar jongens en mannen uit werden geweerd, dat meisjes leerden dat de roddel een eigen aard heeft, waarbij vrouwen geruchten en veronderstellingen uitwisselen die ze voor waar opvangen, aandikken en verdraaien en voor waar ook weer delen, en jonge vrouwen erachter komen wat het leven dat voor hen ligt met hen voor heeft. Waaruit de ene vrouw afleidde dat veel mannen blijkbaar hetzelfde zijn, mannelijk, krachtig, trots en jaloers, eeuwig trouw voor het huwelijk en eeuwig ontrouw erna, dat ze liegen tot de zon uit de lucht valt, zich in alle bochten wurmen om droog onder de regen weg te komen en daar ook nog in slagen – en een andere vaststelde dat ook veel vrouwen blijkbaar eender zijn, vrouwelijk, zwijgzaam, behaagziek, onderdanig en even jaloers, dat ze liegen tot de maan van de hemel valt om de meubels te redden en altijd weer besluiten dat berusting het haalt van verzet, dat de voordelen opwegen tegen de nadelen, dat het leven is wat het is: hun lot, Allahs wil.

     Voor de vrouwen opstonden, klapten ze een keer in hun handen en keken even in het rond, en dan zei een van hen: ‘Morgen is het mijn dag. Hetzelfde uur.’



10 Waterdragers

 

Mama wijdde zich ijverig en zorgzaam aan het huishouden, haar man en haar dochters. Onze huisschoenen stonden altijd netjes gepoetst naast elkaar op de trap bij de buitendeur. 

     Elke namiddag waste ze ons met lauw water in een houten tobbe die helemaal uit Bulgarije was meegekomen. In de zomer zette ze in de voormiddag twee emmers met water in de zon en kieperde die dan in de kuip. In de winter schoof ze de tobbe tot bij het vuur in de keuken. Ze sopte ons een na een in met de vierkante witte olijfzeep waarvan er in de bakkal grote dikke plakken lagen en waar de winkelier een blokje afsneed. Die zeep rook heel lekker. Als we ons bad hadden gehad, stuurde mama ons naar bed, waar we tot halfvier lagen te rusten.

     Om de twee weken nam ze ons mee naar de hamam, waar we ons grondig wasten. We namen dan ook eten en drinken mee voor achteraf, zochten een plaatsje in de schaduw van een boom, maakten er een prettige namiddag van.

     De vaat deed ze met een plak groene zeep. Het wasgoed ging in een kleinere houten kuip, niet de tobbe waarin we onszelf wasten. Ze stookte hout in de tuin om het water op te warmen en waste de kleren met soda. Het water dat van de çeşme kwam, zeefde ze eerst door de dikke assen die ze uit de kachel bewaarde.   Onze lakens en hemdjes waren altijd smetteloos wit.

     De çeşme, de waterkraan, stond iets verderop in de straat, voorbij de koffiehuisjes. Er zat een hendeltje aan dat we opzij moesten draaien en vasthouden, want het sprong vanzelf terug om de kraan af te sluiten. Ik duwde er altijd een platte steen tussen, zodat ik de handen vrij had en nog wat kon huppelen terwijl het grote blik volliep.

     Buurman Nasif Amca had een aansluiting op de waterleiding. Hij was een hele vriendelijke, behulpzame man. Sommige buren haalden hun water altijd bij hem. Mama wilde het niet, heel af en toe mocht het, als het echt dringend was. Nasif Amca wilde niet dat ze er iets voor betaalde, en dat vond ze lastig. Als ze vaker gingen, dan kon ze hem ervoor vergoeden, maar waarom zouden ze niet dat kleine eindje verder lopen, als het dan niets kostte en geen schuld maakte?

     Ik nam wel eens de binnenweg. Als ik het blik bij Nasif Amca vulde, hoefde ik de hele weg naar de straatkraan niet te lopen en het zware blik niet zo ver terug te zeulen. Mama zag ook wat ze niet zag, alsof ze ogen in haar rug had, en wie weet waar nog overal. ‘Je bent al zo vlug terug? Waar heb je water gehaald? Toch niet bij de buurman? Pas op eh!’

     Soms kwam een man die een beetje ziek in zijn hoofd was langs de huizen en bood zich aan om water te halen. Mama gaf hem altijd een blik mee en stopte hem dan 5 of 10 kuruş in de hand.

     Nog een eindje verder de stad in stroomde een riviertje onder de weg en de Kırmızı Köprü, de Rode Brug, door. Als ik flink doorstapte, deed ik er toch nog tien minuten over. Het riviertje was drie seizoenen van het jaar een kabbelende stroom die vreedzaam naar beneden kronkelde, maar in de lente zwol hij aan van het smeltwater van sneeuw en ijs dat van de hellingen en toppen van de Spilbergen kwam. Op de beide oevers groeiden grote oude platanen, die hun huid verloren en veel schaduw gaven. Er was een hoogbejaarde, vermolmde boom bij die zo hol was dat er zich makkelijk twee kinderen in konden verstoppen.

     Iets hoger, voorbij de hoge bomen, stond een waterput, met een zwengel en een leren emmertje aan een lang touw. Het was heel koud water, dat we alleen maar haalden om te drinken. Mama ging er zelf de grote testi vullen. De aarden kruik hield het water langer koel, maar ze was breekbaar en zwaar. Mama torste ze voorzichtig bij een oor, van de ene hand in de andere.

     Toen ik wat ouder was, stuurde ze mij ermee weg. Ik zag er erg tegenop. Het was ver lopen, en het was er altijd wachten. Kleine en grote mensen stonden in een lange rij aan te schuiven, ongeduldige mopperaars maanden de hele tijd aan om op te schieten. Om zo’n kruik te vullen moest ik een keer of drie putten. Als het emmertje niet goed vol was of per ongeluk tegen de rand botste en ik wilde het nog eens laten zakken, foeterden ze achter mijn rug.

     ‘Toe maar, nóg maar eens.’


     ‘Zeg, komt er nog wat van, ja?’


     ‘Neem je tijd, hoor, je bent alleen.’


     Dan moest ik de volle, zware kruik nog het hele eind terug slepen.

 


9 Mama Fatma

 

Mama was onderdaniger en godlievender dan papa. Ze had vijf vruchten uit haar buik, vijf zonen van haar bloed moeten afgeven, wat ze misschien maar had kunnen aanvaarden door het aan het lot toe te schrijven, het lot dat Hij in Zijn hand houdt, waarmee Hij haar alsnog vier dochters gaf die ze mocht houden, waarvoor ze Hem erkentelijk bleef.

     Ze leefde naar de traditie, als ze de straat opging, droeg ze een lange mantel en een başörtüsü, de hoofddoek die haar haren bedekte en gezicht vrijliet, een zwarte in herfst en winter, een beige of grijze in lente en zomer. Nefise en Habibe volgden haar hierin op een eigentijdse manier, ze knoopten een losse hoofddoek of sjaal om als ze het huis uit liepen. Reyhan leefde vrijer en zelfstandiger in de school van de grote stad, zij en ik lieten ons hoofd altijd aan de lucht.

     Mama las de Koran nog altijd in de oude taal en gaf ook Arabisch onderricht. Elke vrijdag zat ze samen met enkele buurvrouwen en las een of andere tekst, die ze dan toelichtte. Tijdens de ramadan liepen de vrouwen na de iftar, de avondmaaltijd, telkens naar een andere moskee. De meisjes mochten dan ook mee. In het godshuis zaten de vrouwen gescheiden van de mannen. Langs een aparte ingang en een trap kwamen we op de ruime galerij, waar we van achter het sierlijk uitgestoken houten hek op de ruggen van de mannen keken. In de zware kruidige geur van de mirre, de olie van de gomhars van de öt agacı, volgden we de dienst, baden, knielden, drukten ons voorhoofd tegen de mat. Na de plechtigheid wachtten we geduldig tot alle mannen weg waren.

     Enkele buurmeisjes mochten naar de vrouwelijke hodja om uit het Heilige Boek te leren, en daar zeurde ik wel eens om. ‘Neenee, daar blijf jij mooi weg,’
 zei mama dan. Mama vertrouwde op Allah en las koffiedik maar geloofde niet in de toverkunsten van de oude hodja of van de wijze vrouw die een paar huizen verder, aan de overkant van de straat, woonde.

     Als ze bij elkaar zaten, hadden de vrouwen het soms over haar en over de mensen die haar opzochten om hun lichamelijk en geestelijk leed te verlichten. In elke stad of dorp was er wel zo’n oudere vrouw die zichzelf de gave toewees dat ze kon genezen met de bijzondere, bovenmenselijke kracht die ze van haar grootmoeder en moeder had overgekregen. De inwoners noemden nooit haar naam, die ze misschien niet eens kenden, maar verwezen naar haar als ‘de vrouw met heilige handen’. Als iemand aanhoudend pijn had, in het hoofd of in de rug of in de benen, dan mompelde ze wat, legde haar handen op het hoofd of op de zere plek, sloeg de ogen naar de hemel op en prevelde verzen en bezweringen. Vaak gaf ze ook betekenis aan vreemde dromen.

     Veel mensen geloofden er niets van en veel mensen geloofden er alles van. Mama moest er niet van weten, papa zette zijn stekels al op als het woord ‘hodja’ of ‘wijze vrouw’ nog maar viel. ‘Bij Allah,’ zuchtte hij dan, ‘al die kletspraat, al dat bijgeloof. Het verstand vult nooit het hele hoofd.’

     Als mama of een buurvrouw het over de duivel had, schudde hij het hoofd. ‘Mijn vader had gelijk,’ gromde hij dan, ‘de mens is zelf de grootste duivel.’ Hij maakte zich niet kwaad, hij verhief zijn stem niet eens, maar legde er iets in waardoor ze beslist overkwam.

     Mama was feller, ze mopperde en keef meer, maar dat was niet anders bij mijn vriendinnetjes in de buurt. Als een zus of ikzelf iets wilde en papa wist te vermurwen, betrok haar gezicht en bleef de hele dag op slecht weer staan. Waar zij voor een kleinigheid opspeelde, haalde hij zijn schouders op. ‘Ach, wat is speels en wat is stout,’ vroeg hij zich dan hardop af, ‘wanneer wordt een deugniet een vlegel? Als een kind geen kattenkwaad uithaalt, is het ziek, leeft het niet.’

 

 

8 Papa Ali

 

Als jongste meisje voelde ik me veilig in het warme nest van ons gezin en op de zachte schoot van papa. We hadden een hechte band en leefden in goede verstandhouding met de buren.

     Papa had de opbrengst van de wijnranken en de pacht van de katoenvelden, maar moest huis en land voor de helft afbetalen en had vijf vrouwen te onderhouden. Hij liet het niet op zich afkomen en vond al gauw werk aan het station, waar hij instond voor het onderhoud van de sporen. Het was vast en schoon werk, en het verdiende behoorlijk, 60 lira per maand, hij was er tevreden mee. Elke week legde hij het loon dat hij thuisbracht netjes in de handen van mama, die zorgelijker en zuiniger was. Zij wilde altijd maar sparen, terwijl hij er voortdurend op drukte dat ze ons niets tekort mocht doen. We waren niet rijk maar ook niet arm, en in de blikken achter het huis stonden altijd vrolijke bloemen.

     Papa was een eenvoudig maar trots man. Hij kleedde zich naar behoren, ook als hij naar het werk ging, en schoor zich om de andere dag met zijn barbiersmes dat hij eerst met de riem aansleep. Hij kwam niet in de theehuizen, vroeg nooit naar een glaasje raki. Na het eten dronk hij een kopje koffie. ‘Ah, dat verwarmt mijn ziel,’ zuchtte hij dan. Hij stopte zijn pijp waarvan de zware zoete geur door de kamer zweefde en keek verzaligd over de tafel, als een voldaan man.

     Omdat hij lastige kwesties doordacht en praktisch aanpakte, verlieten andere mannen zich op zijn inzicht en raad. Hij trad zelfverzekerd op, maar gedroeg zich nooit hooghartig. Op vrijdag ging hij naar de moskee voor het middaggebed, maar verder had hij een nuchtere geest. ‘Mijn ogen zijn te groot voor blinde overtuigingen,’ zei hij. Hier slachtte hij nooit een schaap maar deed wel zijn menselijke plicht. Als hij bij het Offerfeest en Suikerfeest uit de moskee kwam, legde hij een gulle gift in de hand van de bedelaars en nodigde enkele soldaten of armelui mee uit. Ze kwamen schoorvoetend achter hem binnen, wasten hun handen, zaten zwijgzaam aan tafel en keken dankbaar van hem naar mama en weer terug.

     In de buurt woonden twee oude vrouwtjes, Binnas Nine en Şaraç Nine. Het waren weduwen, ze hadden hun echtgenoten en andere nauwe verwanten overleefd en de koude families waren hen vergeten. De buren waren met hen begaan en sprongen bij waar het nodig was. Papa nodigde de dametjes elke vrijdag uit. ‘Straks niet eh, vader, vanavond niet, hoor je,’ zei mama telkens, maar ’s avonds zaten de vrouwtjes toch weer aan tafel.

     In de barste weken bracht hij om de andere dag een zakje steenkool naar een ongehuwde buurvrouw die zich over haar manke vader ontfermde en die het niet breed had. Mama stoorde er zich soms aan dat hij maar gaf en nooit wat vroeg of terugkreeg. ‘Ach,’ zei hij dan, ‘wij hebben het warm, en zij hebben het koud.' Als een paar schoenen afgedragen of gekrompen was, zette hij ze buiten bij de deur en zei: ‘Laat ze daar maar staan, misschien kan iemand er wat mee.’

     Er was altijd iemand die er wat mee kon.

 


7 De Wenende Rots

 

Rond de Wenende Rots in Manisa zweefde een plaatselijke legende, waarin ze het graf was van zeven dochters die in de oorlog waren omgekomen. Verder wist blijkbaar niemand wanneer of waar ze hadden geleefd, alleen dat de jongste dochter elke avond opnieuw klaaglijk huilde om de rampspoed die hen had getroffen. Van de buurvrouwen, de meester en de juf op school ving ik kleine en grote flarden op, die buurman Haydar uiteindelijk in een samenhangend verhaal paste.

     Haydar Bey was een geletterd man die een hoog ambt in het provinciehuis bekleedde. Op een zachte avond in de voorzomer leidde papa hem naar de tuin, onder de vijgenboom. Mama bracht thee en blokjes halva op een schoteltje. Ik schommelde, snoepte wat mee en was een en al oor.

     Haydar Bey ging héél ver terug, toen het oude Griekenland nog uit stadstaten bestond die hun gebied altijd maar uitbreidden. De Grieken waren krijgslieden, hun zeelieden staken de Middellandse Zee en de Egeïsche Zee over, op zoek naar nieuw land, avonturiers en handelaars vestigden zich aan de kust en in het binnenland van Turkije.

     Volgens hun latere verhalenschrijvers had de Lydische koning Tantalos een stad gesticht in de vruchtbare vlakte van de rivier de Gediz, aan de voet van de berg Sipylos, die nu Spil Dağı heet. Tantalos was zo’n machtig heerser dat de Grieken hem een plaats gaven in een van hun verhalen als de zoon van de oppergod Zeus en de nimf Pluto.

     Tantalos had een sterfelijke dochter, Niobe, die met koning Amphion van Thebe trouwde, een zoon van de god Zeus en Antiope. Ze kreeg maar liefst veertien kinderen, zeven zonen en zeven dochters, de Niobiden. Niobe stond erop dat de inwoners van Thebe haar meer eer bewezen dan de godin Leto, die slechts twee kinderen had, de tweeling Apollo en Artemis, maar die was wel van oppergod Zeus. Niobe was een hoogmoedige vrouw die de goden uitdaagde, waarop Artemis haar dochters en Apollo haar zonen doodde met pijl en boog. Toen vader Amphion het bloedbad onder zijn kinderen zag, sloeg hij uit wanhoop de hand aan zichzelf. Niobe was zo van slag dat ze zich terugtrok op de berg Sipylos, waar ze in een steen veranderde. Ze treurde zo hartverscheurend dat de tranen uit haar versteende wezen stroomden.

     ‘En nu is het zo,’ besloot Haydar Bey, ‘dat dichtbij de Spil Dağı een stompe rots uitsteekt die op het hoofd van een vrouw lijkt en die de bevolking al eeuwen aan Niobe toeschrijft. Als het regenwater door de kalksteen sijpelt, lijkt het of ze weent.’

 

 

6 De geschiedenis

 

Op school leerde ik van jaar op jaar meer over de lange geschiedenis van Turkije, die was ingezet in de nevelen van een heel ver verleden met de legende van de grijze wolvin die de Turken met honger en dorst uit een dor en droog land naar hier had gevoerd, en van Manisa, die levendig was gebleven in de oude gebouwen en feestdagen.

     Manisa was al van oudsher een voorname en rijke stad, de hoofdstad van de provincie met dezelfde naam. De oude Grieken noemden haar Magnesia aan de Sipylos, de berg waar ze tegenaan ligt. Ook bij de Romeinen en Byzantijnen en Seltsjoeken bleef de stad van groot belang. Ten tijde van het Osmaanse rijk maakten de machtige sultans er de prinsenstad van. Ze hadden er een mooi en groot buitenverblijf waar de kroonprinsen met hun moeders verbleven en waar de jongetjes werden voorbereid en opgeleid om sultan te worden. Omdat er verscheidene prinsen voor in aanmerking kwamen, was er veel afgunst tussen de moeders en hun zonen. Ze treiterden en verlinkten elkaar, spanden heimelijk samen en zaaiden verdeeldheid, gingen soms zo ver dat ze de favoriete prins ontvoerden of zelfs vermoordden.

     De sultans kwamen zelf ook geregeld op bezoek, om uit te rusten en om in de velden en bossen te jagen. Murat II was zo’n sultan die zich hier voor langere tijd terugtrok. Mehmet, een van zijn zoontjes, was pas twaalf toen hij hem opvolgde. Hij werd later Fatih Sultan Mehmet II, of Mehmet de Veroveraar, die in 1453 Constantinopel innam en de christelijke keizer Constantijn XI over de kling joeg. Constantinopel werd Istanbul, het Byzantijnse rijk werd het Osmaanse rijk.

De stad werd op 26 mei 1919 door het Griekse leger bezet en pas op 8 september 1922 tijdens de Onafhankelijkheidsoorlog weer door het Turkse leger onder de leiding van generaal Mustafa Kemal Paşa bevrijd. De dag zou elk jaar feestelijk worden herdacht.

     Voor de Grieken de vlucht namen, maakten ze zeker zestig voorname gebouwen, tweeduizend winkels en tienduizend woningen met de grond gelijk. Van de openbare gebouwen, paleizen en moskeeën die de sultans overal hadden gebouwd, bleven er maar enkele over.

     Als ik de Izmir Caddesi afliep, kwam ik bij de Sultan Cami, tegenover het Saruhan Parkı. De Sultanmoskee werd gebouwd voor Ayşe Hafisa Sultan, de moeder van Süleyman I, of Süleyman de Wetgever. Er hoorde een grote hamam bij, en een opvangtehuis voor geesteszieken en daklozen.

     Ayşe Sultan eerden we tijdens het Mesir-festival, het feest dat ieder jaar in maart aan de Sultanmoskee werd gevierd, waarbij de mesir macunu, een krachtig en kruidig gommetje, werd uitgestrooid. Er werd gezegd dat het wonderlijke snoepje wel veertig verschillende kruiden bevatte en de reputatie had het lichaam kracht te geven en gezond te maken.

     Aan de Uygur Sokağı, de volgende straat rechts, kwam ik bij de Muradiye Cami, de moskee met een Koranschool, waarvoor Sinan de plannen tekende. Koca Mimar Sinan werd door Süleyman I de Wetgever in dienst genomen. Hij was de briljantste architect en ingenieur in het Osmaanse rijk en werkte voor vier sultans achter elkaar. Sinan ontwierp meer dan tweehonderd vijftig gebouwen, moskeeën, universiteiten, paleizen, ziekenhuizen, scholen, waaronder de Selimiyemoskee in Edirne en de Süleymaniyemoskee in Istanbul, waar hij ook begraven ligt. Hij werd 99 jaar.



5 Het nieuwe huis

 

We woonden in een nieuwe halfopen woning aan de rand van de stad, aan de Izmir Caddesi, de grote weg van Manisa naar Izmir, in de wijk Hacı Yahya Mahallesi. Er stonden maar een paar kleine huizen, en er was een bakkerij. In de richting van Izmir, aan dezelfde kant, lag het joodse ziekenhuis Moris Şinasi Hastanesi, met daarachter de militaire kazerne. Meer gebouwen stonden er niet, wat niet wegnam dat het een drukke straat was, met een bushalte vlakbij. 

     Schuin tegenover ons huis lag de begraafplaats, en nog verder, op de grens met de wijk Karaköy, waren er enkele thee- of koffiehuizen, waar altijd mannen aan de tafeltjes binnen en op het terras zaten, aan hun thee slurpten, een sigaret rookten, over alles en niets palaverden. Als er een jonge vrouw voorbijkwam, op weg naar familie, de bakkal of het çeşmekraantje, keken ze haar beurtelings na en bogen dan hun hoofden naar elkaar, fezelden met een minachtend lachje om de lippen, maakten schampere of schunnige opmerkingen. De meeste meisjes, ook mijn zussen, wilden er niet langs, ze liepen nog liever een straatje om.

     Het was een mooie en ruime woning, met beneden de woonkamer en een grote keuken, en boven enkele slaapkamers. Er lagen overal houten vloeren waarover papa grote kelims uitrolde die warm en zacht aanvoelden. Onze tuin bleek bovendien groter dan die van de buren, met een vrijstaande oven waarin mama de broden bakte. Er was een grote moerbeiboom blijven staan, waarin papa een schommel hing.

     We sliepen op een mat en op met wol gevulde matrassen met een laken rond gewikkeld. Nefise en Habibe lagen bij elkaar, en Reyhan en ik deelden een bed. We namen ’s avonds een karaf water mee met vier glazen voor als we ’s nachts dorst kregen. Elk meisje had haar eigen glas en dacht er niet aan om dat van een zus aan haar lippen te zetten.

     Ik woelde de hele tijd in mijn slaap en maakte zus Reyhan voortdurend wakker, die er af en toe knettergek van werd en me dan een stomp gaf, want ze kon niet roepen, omdat ze geen stem had. Het kwam voor dat ik zo’n drukke nacht had dat ik ’s morgens bij de deur lag en mama de kamer niet binnen kon.

     'Als je straks niet stil blijft liggen, dan naai ik een slaapzak voor je!’ riep ze dan.

     De familie die haar intrek nam in het aanpalende huis, kwam ook uit den vreemde. Ze maakte deel uit van een gemeenschap van tweeëntwintig families die uit Gürcistan, of Georgië, over waren gekomen. Atatürk had inmiddels uitgevaardigd dat maar drie families uit dezelfde streek bij elkaar mochten wonen. De buurvrouw heette ook Fatma, ze was een Azeri en had drie dochters, Jale, Nihal en Nebahad. Haar man was al in Georgië overleden. Hij was een verwant van een voorname bei, een landsheer of leenvorst, die over een groot goed heerste en schatplichtig was aan de kalief.

     Vrouw Fatma had het moeilijk. Familieleden en vrienden die elders waren gaan wonen, hielpen haar de eindjes aan elkaar knopen. Mama liep er geregeld aan. ‘Soms heeft een mens meer aan een goede buur dan aan een verre verwant,’ zei ze dan.



4 Manisa

 

In Inciraltı, Balçova, even buiten het hart van Izmir, ving de kaymakam, het hoofd van het district en vertegenwoordiger van de gouverneur van de provincie, ons samen met enkele ambtenaren van de overheid op. Om te voorkomen dat we allemaal bij elkaar gingen wonen, werden we in groepen van tien tot twintig families verdeeld en naar uiteenlopende gebieden gestuurd. We maakten deel uit van achttien families, allemaal verwanten en buren die uit dezelfde streek van Sjoemen kwamen. We kregen een Turks paspoort en mochten al meteen een nieuwe achternaam kiezen. Papa en de kinderen heetten nu Baybek.

     De staatsdienaar legde ons uit welk dorp onze bestemming was. We trokken er met karren naartoe en kwamen terecht in een armzalig dorpje tussen boeren die maar net het hoofd boven water hielden. De mannen klopten verontwaardigd op de deur van het gemeentehuis en deden hun beklag:

     ‘Wij zijn bemiddelde stadsmensen, wij zijn geen boeren, wij weten niet hoe we het land moeten bewerken, wij kunnen niet op het platteland leven.’

     We bleven er twee weken en mochten toen naar een ander dorp, waar de situatie net eender was.

     ‘Is dit de manier waarop u ons verwelkomt? Hebben we hiervoor onze geboorteplaats achtergelaten, ons werk opgegeven?’

     Een maand later mochten we weer opbreken en inladen.

     Drie keer sloegen de mannen het aanbod van huis en grond in een dorp af. Ze wilden hier tenslotte hetzelfde leven leiden als in Bulgarije.

     Uiteindelijk kwamen we in Manisa terecht, een mooie grote stad aan de voet van de Spilberg, in een vruchtbare omgeving met olijfbomen, wijnvelden, fruitgaarden en groentetuinen.

     De grootouders van de burgemeester waren ook afkomstig van Bulgarije. Hij ontfermde zich over de families en bracht ons onder in een kleine wijk even buiten de stad. Het waren oude, verweerde huisjes, met een woon- en slaapkamer, een kleine keuken en zolder, zonder deur of raam, waar wij kinderen sliepen. De inwoners waren verre van hartelijk en gastvrij. Papa sloot ’s avonds de buitendeur, schoof twee grendels dicht en stak een mes tussen deur en stijl. Meer dan eens vonden we het ’s ochtends op de grond.

     Net als de andere huisvaders moest ook papa naar het gemeentehuis om ons op de dienst bevolking in te schrijven.

     ‘Naam en geboortejaar van de kinderen,’ zei de ambtenaar nog voor hij van het document opkeek.

     ‘Ik ken ook de maanden en dagen, zelfs de uren,’ antwoordde papa.

     ‘Het jaar volstaat, meer hoef ik niet te weten.’

     ‘Hoe bedoelt u? U neemt de datum toch volledig op?’

     ‘Ach nee, mijnheer, dat is nergens voor nodig.’

     ‘Ik zou het op prijs stellen, mocht u…’

     ‘De laatste, Safiye, 1933, dus. Zo, dat is dan in orde.’

     ‘Ik zou er toch op willen aandringen…’

     ‘Mijnheer toch, bijzaak, van generlei belang.’

     ‘Ja, maar…’

     ‘Excuseer mijnheer, kijk eens achter u, er wachten nog mensen. De volgende!’

     Papa beet zich op de tong, maar een keer buiten mopperde hij dat hij genoeg had van de Turkse heertjes die in dienst van de overheid werkten, die kreunden onder het gewicht van hun ambt, indruk maakten met hun vormelijk gezag en er zich in verlustigden om eenvoudige burgers te koeioneren. Hij had vanzelf al meer moeite met de lange weg die we moesten afleggen. Mama kon er zich beter mee verzoenen. ‘Allah wil de mens niet altijd en overal uit de nood helpen,’ legde ze uit, ‘hij moet zichzelf ook leren redden.’

     Als tegemoetkoming voor ons offer, onze terugkeer naar het oude land, had president Atatürk aan elke familie een nieuw huis en een grote lap grond toegezegd, waarbij staat en familie elk de helft van het goed zouden betalen. We moesten wel wat geduld oefenen, de huizen moesten nog gebouwd.

     Er ging nog een heel jaar overheen voor we konden verhuizen. Om ruzie te vermijden zouden de huisvaders lootje trekken om uit te maken wie in welk huis mocht. Er was weinig reden tot onvrede want het waren allemaal mooie woningen, met 16 dönüm wijngaarden. Niet veel later huurde papa nog eens 16 dunam katoenvelden, waarmee hij vage plannen had maar uiteindelijk niets deed. Hij had de handen vol met zijn werk en de wijnvelden.

     Hoewel alles naar wens leek te lopen, bleef papa met de overgang naar het nieuwe land worstelen. Veel andere verhuizers verging het niet beter. Als de mannen bij elkaar stonden, zwegen ze lang en keken somber, of vertelden moeilijke verhalen met geraspte stemmen. Ze hadden zich gevestigd in een moederland dat hen vreemd was, vreemder dan het thuisland waarin ze waren opgegroeid, tussen mensen die hen vijandig gezind waren.

     De Turkse ambtenaren wisten dat de Bulgaarse families waardevolle munten of stenen mee hadden gebracht. Ze zaten hen voortdurend dwars en gingen gewiekst te werk. Onze mannen moesten op hun hoede zijn en nog werden ze opgelicht of afgeperst.

     De burgers zagen groen van jaloezie omdat wij, inwijkelingen, een huis en lap grond in de schoot kregen geworpen en waren niet geneigd ons in de armen te sluiten. Sommige van onze families hadden af te rekenen met dieven of inbrekers, andere werden openlijk bedreigd of gepest. De inwoners bleven ons nog jaren scheef aankijken, zodat we op elkaar aangewezen bleven en niet echt aardden. Veel van onze mensen hadden alle moeite om zich aan het nieuwe leven aan te passen. Sommige mannen kregen last van een lever- of hartkwaal, enkele stierven zelfs van alle misère.

     ‘Zie je nu, hoe mooi het hier is?’ liet papa zich meer dan eens ontvallen.

     ‘Ach, vader,’ antwoordde mama dan, ‘het is nu zo, we kunnen toch niet meer terug. Het oude land heeft zijn grenzen achter ons gesloten.’

 

 

3 De uitwisseling

 

Het was niet de eerste grootschalige uitwisseling die de overheid had opgezet. Dertien jaar eerder, een jaar na de Onafhankelijkheidsoorlog, waren de Yunanlar, de oude Grieken in Turkije, en de oude Osmanen in Griekenland elkaar ergens halverwege tegengekomen, een ongekende volksverhuizing waarin naar schatting anderhalf miljoen Grieken en een half miljoen Turken mee waren gelopen. Papa had er aan het station en in de stad grote verhalen over opgeraapt.

     De Grieken waren zelfverzekerde, ondernemende en ontwikkelde lieden. Ze leefden al meer dan duizend jaar in de Egeïsche kuststreek toen Turkmeense Seltsjoeken in de 11de eeuw het Byzantijnse rijk binnenvielen en de plaatselijke Anatolische volken onderwierpen. Onder de sultans vormden de Grieken de grootste minderheid langs de hele Egeïsche kust, aan de Zwarte Zee, in Thracië en in Istanbul, waar ze vreedzaam naast en met de Osmaanse moslims leefden. Niettemin koesterden zowel in Griekenland als in Turkije nog veel christenen een oude droom, de Grote Gedachte, het eerherstel van hun vroegere rijk, met Byzantium als hoofdstad en een christelijke koning op de troon.

     Toen het Osmaanse rijk langzaam instortte, wachtten ze geduldig af en grepen de aanslepende oorlog aan om het hele Egeïsche Zeegebied in te nemen. Maar het tij keerde en Mustafa Kemal Paşa ranselde de Griekse strijdmachten er in 1923 weer uit. Hij stelde een sterke, islamitische, op westerse leest geschoeide Turkse staat voorop, zonder christenen van welke herkomst ook.

     Zijn generaal Mustafa Ismet Inönü onderhandelde met afgevaardigden van de bezettende machten de Vrede van Lausanne, een verdrag dat de oorlog afhandelde en de grenzen van de nieuwe Turkse natie aftekende. De Egeïsche kuststreek werd aan Turkije toegewezen. Alles wat niet-Turks was, in taal en geest en volk, moest eruit, en alles wat elders in de wereld Turks bloed had, moest erbij. De oude Griekse onderdanen werden voor landverraders en samenzweerders aangezien. Meer dan een miljoen christenen vluchtten weg uit Turkije, terwijl honderdduizenden moslims zich uit Griekenland wegmaakten om de verwachte wraakacties voor te blijven.

     Met de uitwijzing die het verdrag oplegde, werden nog een tweehonderdduizend verknochte christenen onder dwang uitgewezen, en meer dan driehonderdduizend moslims met aandrang teruggeroepen. De christenen werden door de jandarma samengedreven en in lange karavanen op weg geholpen. Ze waren nog Grieks omdat hun voorouders Grieks waren, en ze waren hier omdat ze er altijd waren geweest, samen met Osmanen en Armeniërs en Koerden, inwijkelingen en vluchtelingen van overal. Het was hun eeuwenoude land, hun vaderland, hun geboortegrond, en nu moesten ze dit land, waar ze talloze generaties lang van vader op zoon hadden gewoond, verlaten en naar huis gaan, een plek die ze niet eens wisten liggen.

     Aan de Egeïsche kust liepen hele en halve dorpen leeg. De christenen, vaak bekwame ambachtslieden en onderlegde kooplui, namen hun kennis en kunde mee en lieten lege werkplaatsen en handelspanden achter. Veel van hun geschriften, in archieven, bibliotheken, gemeentehuizen, rechtbanken, waren in een eigen taal opgesteld, waarbij ze het Turks dat ze spraken met Griekse letters schreven. De Turken, die dit vreemde schrift niet konden lezen, ruimden alles op, verbrandden hun overlevering, wisten hun geschiedenis.

     Andersom verliep het net eender, de Turkse Grieken waren spiegels van de Griekse Turken. De moslims die de omgekeerde weg aflegden, waren veeleer handarbeiders en boeren, eenvoudige stervelingen die niets van politieke motieven en militaire bewegingen kenden en die van vandaag op morgen hun vertrouwde leven moesten opgeven om naar ver en onbekend gebied te vertrekken.

     Simpele dorpelingen en plattelanders wisten nergens van, ze vingen hooguit iets op van wat er in hun eigen dorp of streek gebeurde, maar ze aanvaardden het hogere gezag en schikten zich ernaar. Een verzoek van hogerhand was een bevel, en getrouwe soldaten en burgers volgden dat bevel op, hoe merkwaardig of onzinnig het van op een afstand misschien ook leek. Het was voor hun eigen goed, werd gezegd, voor een beter leven en een mooiere toekomst, en het was een nobel opzet, werd beweerd, een politieke ingreep om de oude verspreide Osmanen tegen vergelding te beschermen en in een nieuw veilig machtig Turkenland samen te brengen. Het was de stem van een meerdere, en een meerdere was maar een meerdere omdat hij ergens verstand van had en wist wat goed was voor een mindere.

     Ze kwamen aan in Turkije, los van afkomst en taal, met dezelfde godsdienst maar een andere leefwijze, vreemde zeden en gewoonten. Velen van hen brachten armoede, heimwee en wrok mee, vestigden zich in een omgeving die hen niet gunstig gezind was en voelden zich voor de rest van hun leven ontworteld.

Zowel de Grieken als de Turken werden niet helemaal aan hun lot overgelaten. De waarde van hun eigendommen werd door commissies geschat en ter plekke of bij aankomst uitbetaald. Ze kregen een leeg dorp, praktische en materiële steun toegewezen. Wat wilden ze nog meer?

     Maar hoe ontheemd kon zo’n landwerker zijn als hij uiteindelijk zogenaamd ‘thuis’ kwam, bij buren die hem volkomen vreemd waren? Die hem meden, verachtten en bedrogen, als uitschot behandelden en wegtreiterden, omdat hij de verkeerde taal sprak, de verkeerde landaard had? Die hem ‘Ga terug naar huis!’ nagromden of toeriepen, terwijl de overheid net had gezegd: ‘Kom naar huis, jullie land is hier’?

     De Bulgaarse Turken en Turkse Bulgaren hadden een kleiner verhaal, maar het ging net zo goed over mensen die naar hun oude land terugkeerden, een vaderland dat hen vreemd was, vreemder dan het land waarin ze waren opgegroeid, en het had dezelfde teneur, de trieste, melancholische ondertoon van ontworteling, van mensen die een thuis achterlieten en een ander thuis opzochten en er dan achter kwamen dat ze hun wortels niet zomaar ergens uittrokken en elders weer onderspitten.



2 Het nieuwe land

 

In 1936, toen ik een kleuter van drie was, verhuisde onze hele familie samen met de andere families van eenzelfde grote Turkse gemeenschap naar Izmir. Ze gingen in op de oproep van Mustafa Kemal Atatürk, die de inwoners van de vroegere Osmaanse staten ertoe wilde bewegen naar hun oude vaderland terug te keren. Tegelijk stuurde hij de nakomelingen van Bulgaarse voorouders in Turkije ook weer naar huis terug.

     Het was geen bevel, het was een appél, een dwingend verzoek, waar mama wel oren naar had. De verstandhouding tussen de Turkse moslims en Bulgaarse christenen was troebeler, en ze wilde voorkomen dat een van haar dochters wat overkwam of voor een Bulgaarse jongen viel. De uitnodiging leek billijk, vond ze, wat ze achterlieten, hadden ze in het vooruitzicht: ze zouden in Turkije over huis en land mogen beschikken. Papa was eerder geneigd te blijven, het was een vertrouwd leven en hij had een bloeiende zaak. De argumenten hielden elkaar een tijdje in evenwicht, tot de balans uiteindelijk doorsloeg. Ze sloten zich aan bij de gezinnen van drie dorpen die samen zouden verhuizen.

     Het was een geweldige onderneming. Papa verkocht het huis aan een buurman, de han of de herberg en alles wat vast stond en de overtocht niet haalde aan buren en kennissen. Met ons hele overblijvende hebben en houden, meubels en kelims en kisten, vulden we toch nog vijf paardenkarren tot de rand. Het gezin van Hanım Yenge, een buurvrouw, laadde maar liefst achttien karren vol.

     De uitverkoop bracht veel levs op, geld dat we niet konden meenemen maar in goudstukken omzetten, die we voor mogelijke dieven of plunderaars verstopten. Mama kneedde en bakte ze in broden, die we de hele weg meevoerden maar nooit aanbraken. Andere reizigers verborgen hun kostbare stenen, juwelen en munten tussen de lading, droegen ze in buidels op hun huid of naaiden ze in dubbele zomen, verholen naden en geheime zakken van hun kleren.

     Met een karavaan paardenwagens trokken we van Sjoemen naar de stad Varna aan de Zwarte Zee, waar we alles op enkele boten overlaadden en in een paar dagen de oversteek maakten naar Istanbul, verder over de Zee van Marmara en de Egeïsche Zee, tot helemaal in Izmir.

 


1 Papa Ali en mama Fatma

 

Ik ben in 1933 geboren in Shumen, ook Şumnu of Sjoemen, in het noordoosten van Bulgarije, niet ver van de Donaurivier en de Roemeense grens. Mijn voorouders woonden er al van in de 14de eeuw, toen de machtige en strijdlustige sultans tijdens hun veroveringstochten de hele Balkan, met Bulgarije, innamen en bij het grote Osmaanse rijk inlijfden. De Osmanen die zich in de Balkanstaten vestigden, stonden al die tijd onder de hoge bescherming van de sultan. Eind 19de eeuw roerden grote gebieden in de Balkan zich, eisten rechten en eigen staten. Toen de bezette christelijke gebieden zich tegen de Osmaanse heersers keerden, kwamen de moslims in een lastige situatie.

     Ali Sadıkoğlu en Fatma Kızıloğlu waren allebei van goede komaf, ze groeiden op in twee families van welgestelde ondernemers.

     Ali raakte als jongeman betrokken bij een voorval dat zijn jong leven zou tekenen. Hij was pas 22 toen hij op een avond met enkele makkers de bloemetjes had buiten gezet en met een stuk in de kraag thuiskwam. Een paar uur later werd hij door de politie van zijn bed getild en ondervraagd. Hij was te dronken om zich iets te herinneren en om te begrijpen wat zij vroegen en wat hij antwoordde, maar de politie concludeerde uit het warrige onderhoud dat hij schuld bekende. De ontnuchtering volgde ‘s ochtends toen Ali wakker werd in de gevangenis met een aanklacht tussen zijn tenen. De patser met wie ze de vorige avond woorden hadden gekregen, was dood teruggevonden. De rechter veroordeelde hem voor doodslag en klopte het vonnis af op acht jaar gevangenis.

     Fatma was enig kind en werd in een beschermde omgeving opgevoed. Haar ouders hadden een dienstmeid in huis zodat ze zelf nooit aan huishoudelijk werk toe kwam. Van toen ze vijftien, zestien was, meldden zich al moeders of aanbidders aan, maar die haakten weer af als ze hoorden of in de gaten kregen dat ze twee linkerhanden had die niet eens naar behoren koffie konden zetten of pilav volgens de regels konden maken, vaardigheden waarmee jonge vrouwen hun huishoudelijke aanleg moesten tonen. Koffie moest zwart zijn als de hel, sterk als de dood en zoet als de liefde, zeiden de oude stemmen. Een jonge vrouw moest het water met koffie en suiker in de cezve, een messing of koperen koffiepannetje, boven een vuurtje verhitten waarbij het water maar net lang genoeg kookte en de koffie een stevig schuimlaagje kreeg. Voor pilav, het oude gerecht, moest ze bulgur in olie fruiten en vervolgens met kruiden, peulvruchten en vleesstukjes gaar smoren.

     Ali, die een lastig verhaal met zich meedroeg en besefte dat hij in hun gemeenschap niet meer alle keus van de wereld had, zag Fatma wel zitten. Ze was twintig en hij was tenslotte de dertig al voorbij.

     ‘Goed,’ zei de baba van Fatma, ‘maar dan moet je er de dienstmeid wel bijnemen, want mijn dochter kan niets zelf.’

     ‘Vooruit dan maar,’ zei Ali, en ze trouwden.